is toegevoegd aan je favorieten.

De gronden der natuurlyke rechtsgeleerdheid.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i76

Gronden der II. Deel.

Ook zoude eene wet, die de noodzakelyke (onberispelyke) levensverdediging aan alle burgeren tegen eikanderen verbood, of die binnen al te'enge palen beperkte, niet jreehtvaardig zyn.

§. CCCXIX. Hier uit, dat aan elk zyne \olkomene vryheid moet gelaten worden, ten zy 's volks groot belang noodwendig vorder e, dat zy befnoeid worde, (§. 318.) beiluiten wy; dat niet alle wetten, offchoon op zig zelve niet ftrydig met het recht der natuur, maar alleen die gene te recht worden ingevoerd, of reeds ingevoerd zynde , gehandhaafd, welke het fmertelyk gevoel der vryheids vermindering met_ een grooter aanwas van voordeden, of vermindering van nadeelen, voor den ftaat vergoeden. Zodanige wetten zyn zekerlyk die niet, om welke te doen eerbiedigen, zulke geweldige middelen noodig zyn, dat daar uit veel meer onkeils, dan uit het nalaten of affchaffen dier wetten, voor den ftaat te duchten zy.

Een volk is eene vergadering van menfehen, die door dezelfde redenen, die hen aanzetten, om de wetten der natuur te verönagtzamen, bewogen worden, tot het overtreden der burgerlyke wetten. Zulke redenen zyn: eene onkunde van, of wanhoop aan het wezenlyk nut, 't geen uit de gehoorzaamheid te hopen is; een tegenwoordig kwaad, wiens drukking hun voorkomt niet langer draaglyk te zyn, doch waar van zy zonder fehending der wet niet ontheven kunnen worden; het vooruitzicht op een allerbegeerlykfi goed, dat, zo lange zy der wet gehoorzamen, voor hun niet verkryghaar is; de afkeer van eene wet, die hunne ingewor-

ttl-