is toegevoegd aan je favorieten.

Vier verhandelingen. Over eenige gedeelten van de Nederduitsche taale.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERHANDELING. 223

vlugten. Zie Vlieten, ftroomen, hieronder.

Ik vlieg, ik vloog, gevloogen. Hij vliet, hij vloot, gevlooten. Vlieten, ftroomen. Onperfoonlijk Werkwoord. Zie vlieden, vlugten, hierboven. Ik weeg, ik woog, gewoogen. Weegen, wikken. Zie beweegen, op de Eerfte Soort der Gelijkvloeiende. Ik werf, ik worf, geworven. Werven,

Krijgsvolk aanneemen. ïk werp, ik worp, geworpen. Ik wijk, ik zueek, geweeken. Ik wijt, ik weet, geweeten. Wijten, iemand de fchuld van iets geeven. Zie Weeten , kennen , onder de Eerfte Soort deezer Ongelijkvloeiende. Ik win, ik won, gewonnen. Ik wind, ik wond, gezvonden. Ikzureek,ikzvrook, gewrooken. Wreeken. Ik heb veel moeite gedaan, om een voorbeeld uit eenigen gezaghebbenden Schrijver hierbij te brengen, maar 't is vruchtloos zoeken. Het Deelwoord vindt men genoeg, maar niet den Onvolmaakten Tijd, ik wrook. Ik houd, voor mij, echter deeze, als de rechte