Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C. GtRTANNEU; OVEït DÉ:

deren. Zij zijn van verfchillende couleuretl; helder rood, donker rood, geelachtig. Boven de" huid verheffen zij zig nier. Zij zijn of enkele en afgezonderde, of zamenvloeijende en breed; gemeenlijk van de grootte van een twee ftuiversHuk, of ook grooter. Deeze vlekken veranderen in koper-verwige korften, welke afvallen, waar na altoos weder nieuwe ontftaan, tot dat [ zij eindelijk tot zweeren overgaan. De fcheuren (frisfurae, rhagades,} vertoonen zich voornamelijk aan de binnenzijde der handen, en aan de voetzooien. De huid fpringt op, de fcheur verandert in een- venerifche zweer, de randen worden hard, dik, eeltachtig, en pijnlijk, jeuken fterk, en 'er vloeit een dun Hinkend vocht uit. Dit toeval vind men vooral dikmaals bij gemeene luiden, bij de geenen wier huid op het vlakke der hand, en aan de voetzooien zeer dik en hard is: Luiden van fatfoen blijven doorgaans van dit toeval geheel bevrijd* Tot de venerifche uitflagen der huid behooren: («) Puiften. Dezelve zien 'er uit als kleine bloedzweeren, of 't zoogenaamd wild vuur. Ze zijn klein, hard, rond, verheven, rood, jeukend; ze hebben geen etterende punt, zoo als de gewoone puiften-, maar verdwijnen weder, zonder tot verettering over te gaan. De opperhuid fchilt zig af, en 'er blijft op die plaats eene koperroode of geele vlek overig,