is toegevoegd aan je favorieten.

Grondbeginselen der natuurkunde van den mensch.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WERKTUIG EN DE ZENUWEN. 1?$

derfcheiden worden, zy vertoonen naamelijk kleine dwarsioopende plooicjens, meer of min fchuinshoekig, reeds voor lang de plooitjens van molinel lus *) genoemd, welke Schryver dezelve niet ongepast vergeleeken heeft by de rimpels van eene fpier, of by de ringen der luchtpijp.

§. 207.

De zenuwen, inzonderheid die van eenen byzonderen rang, hoedaanige de tusfchenribbige en zwervende zijn, hebben hier en daar zenuwknoopen (ganglia), knobbeltjens naamelijk van een digter weeffel, en van eene roodachtige aschgraauwe koleur, maar nog van geen genoegzaam bepaald gebruik. Boven allen behaagt my ondertusfchen het gevoelen van zinn, weleer onzent vrjend f), die Helde, dat zy dienden, om naauwkeuriger diergeiyke zenuwdraaden met elkaüderen te verbinden, en als het ware te zaamen te weeven , die uit verfcheiden bronnen in de zenuwknoopen by elkanderenjkomen; zodaanig, dat

*) Comment. injlitut. Bononienf. Tem. 111,1755. P- 282.fig. r. 22 Deze waarneming van molinellus , hebben onlangs do beroemde fel. fontana en al. monro , door veelvuldigs proeven bevestigt, en licht bygezet: deze in zijn, meermaalen door ons aangehaald werk; geene in Traït. jur l& vinin de la vipere. Flor. 1781. po. Vol. n. t) Mem, de l'Acad. des jcienc. de Berlin, Vol. ix. A- J752J