Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o.a. Zandvoort, Haarlemmerliede en Velzen. Het werd opgericht in 1679 na het overlijden van Wolfaard III, heer van Brederóde.

Brederode is de naam van een kasteel-ruïne op de zuidelijke grens der gemeente Velzen. Het werd waarschijnlijk in de 13dc eeuw gebouwd en in 1426 door de Kabeljauwsche Haarlemmers ingenomen en verwoest. Gedeeltelijk hersteld, ging het in 1573 weder in vlammen op. De uitgestrekte bouwvallen liggen bij de herberg „Velzerend" en zijn goed onderhouden.

Brederode is de naam van een deroudste adellijke geslachten van Holland. Als stamvader wordt genoemd Siwerd, Sivaert, Sicco of Siegfried, een jongeren zoon van graaf Arnoud van Holland, die in het begin der XIde eeuw regeerde. Dirk (later Dirk 111), de oudste zoon van Arnoud, verzocht aan zijn vader — zoo luidt de sage — dat deze aan Sivaert een erfdeel met breede roeden zou toemeten, waarom laatstgenoemde den geslachtsnaam Breede roeden of Brederode ontving. Hij was burchtgraaf van Kennemerland en stichtte er tusschen Haarlem en Beverwijk het kasteel, waarvan zich thans nog de schilderachtige bouwvallen verheffen. Dit slot is tot tweemaal toe verwoest, eerst in 1201 door den graaf van Loon en in 1436 door de Kabeljauwsgezinde Haarlemmers. Telkens werd het weder opgebouwd, maar toen de heeren van Brederode in 1472 in het bezit kwamen van Vianen en Ameide en in eerstgenoemde stad het fraaie Batenstein hadden doen verrijzen, bleef het slot in Kennemerland verlaten, zoódat het langzamerhand een bouwval werd.

Tot de merkwaardige leden van dat geslacht behooren:

Brederode, Willem IV van, was maarschalk van Holland ten tijde van Willem II, graaf van Holland en Roomsch Koning. Bij den tocht tegen de WestFriezen in 1255 voerde hij het bevel over een gedeelte van het leger en behaalde een overwinning op de Drechterlanders, terwijl Willem II met 500 edelen bij Hoogwoud sneuvelde. Later stond hij in de gunst bij Floris V, die al zijn bezittingen in Zuid-Holland voor vrije heerlijkheden verklaarde. Hij overleed in 1285.

Brederode, Dirk IV van, een zoon van den voorgaande en bijgenaamd de Goede, was een dapper ridder uit de dagen van Floris V en staat in de tournooiboeken der graven van Holland als eerste kampvechter vermeld. Op last van genoemden graaf zeilde hij in 1287 met eenige welbemande koggen langs de Zuiderzee naar West-Friesland, dat hij aan diens gezag onderwierp. In 1289 bevond hij zich onder de misnoegde edelen, die tegen den graaf opstonden, maar een jaar later genoot h\j weder, hoewel onder bezwarende voorwaarden, de voormalige gunst. In 1292 landde hij op Kadzand, om er tegen de Vlamingen te strijden, en verdreef er den vijand, en 2 jaren later behoorde hij tot de mede-onderteekenaars van het verbond van FlorisV van Holland en PhilipsVvan Frankrijk. Na het vermoorden van den graaf rustte hij op eigen kosten vaartuigen uit, om graaf Jan I uit Engeland te halen, en hoewel hij bij dezen zeer in de gunst stond, werd hij door den eerzuchtigen Wolfert van Borssele daaruit verdrongen. Hij onderscheidde zich in 1304 bij den inval der Vlamingen in Holland, snelde in 1311 Guy van

Avesnes, bisschop van Utrecht, tegen de Friezen te hulp, en deed deze het beleg voor Vollenhove opbreken. Later deed hij een bedevaart naar Jeruzalem en overleed op de terugreis te Rheims, den 16den December 1318.

Brederode, Dirk V van, een kleinzoon van den voorgaande en een moedig krijgsman, onderscheidde zich in den veldslag van Casselberghe (24 Augustus 1338), waar hij in het gedrang der vijanden uit het zadel geworpen en bijna gevangen genomen werd. Als ijverig aanhanger van gravin Margaretha stelde hij zich met eenige andere edelen aan het hoofd der Hoekschen en behaalde met deze de overwinning in den slag tusschen Arnemuiden en Vere (22 Mei 1351), terwijl hij kort daarna (4 Juli) op de Maas voor de Kabeljauwschen het onderspit dolf. Hij werd aldaar gevangen genomen, kwam bij de verzoening van den Isten December 1354 weder op vrije voeten en overleed in 1377.

Brederode, Reinoud I van, de oudste zoon van den voorgaande en eveneens een aanhanger der Hoekschen. Hij werkte niet weinig mede tot de verheffing van Albrecht van Beieren tot ruwaard, en werd door dezen tot baljuw van Kennemerland benoemd (1358). Bijna was hij eens bij Castricum in een hinderlaag der Kabeljauwschen gevallen, maar hij redde zich in de kerk aldaar en werd door de inwoners ontzet. In den Gelderschen oorlog van 1371 verrichtte hij vele dappere daden en overleed in 1390.

Brederode, Jan van, een zoon van den voorgaande, bewees belangrijke diensten aan den bisschop van Utrecht, stond in 1396 en 1398 Willem van Oostervant ter zijde bij het bevechten der Friezen, volbracht in 1399 een reis naar Ierland, om op het eiland Ulton het hol van St. Patrick te bezoeken en stichtte nabij de Sandpoort, tusschen Velzen en Haarlem, een kapel ter eere van dien Heilige. Zijn gemalin Johanna van Abcoude liet bij Wijk bij Duurstede een nonnenklooster verrijzen en nam er den sluier aan, waarna heer Jan zich in het klooster der Karthuizers bij Utrecht begaf. In 1409 vertaalde hij: „La SommeleRoy" uit het Waalsch in het Nederlandsch, en dit werk, opgesteld door broeder Laurens van de Orde der Predikheeren, is een der oudste, die in ons land werden gedrukt. Toen echter in 1407 zijn schoonvader overleden was, legde hij de monnikspij af en haalde zijn vrouw met geweld uit het klooster, om alzoo de heerschappij over Abcoude te aanvaarden. De bisschop van Utrecht kon zulk een inbreuk op zijn geestelijk gezag niet gedoogen; hij nam Brederode gevangen, voerde diens gemalin in het klooster terug en leverde hem over aan Jacob van Gaasbeek, den naast-gerechtigde op de heerlijkheid Abcoude; deze hield hem gevangen tot aan den dood van Johanna (1408). Toen nam Brederode weder deel aan verschillende oorlogen en sneuvelde in den slag bij Azincourt (15 October 1415).

Brederode, Walraven van, de eerste en rijkste edelman des lands, was een broeder van den voorgaande, trok met den graaf van Oostervant naar Friesland en werd er burchtgraaf van Stavoren (1400). Deze stad werd door de vrijheidlievende Friezen belegerd, doch Brederode hield er zich staande, totdat het krijgsvolk van hertog Al-

Sluiten