is toegevoegd aan uw favorieten.

'Notitie van het merkwaardigste meyn bekent' 1732-1772

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN ACHTTIENDE-EEUWSCHE AMSTERDAMMER OVER ZIJN STADGENOOTEN.

De wereld spiegelt zich het best gelijkend afin het oog, waarmee een goedmoedig alledaagsch man ze gadeslaat. Fruia: De overblijfsels van geheugchenis van Droste.

Het is een zestigtal jaren geleden, dat het Amsterdamsche Gemeente-Archief in het bezit kwam van een merkwaardig handschrift: Notitie van het merkwaardigs te meyn bekent, waarin een achttiende-eeuwsch patriciër gedurende veertig jaar, van 1732 tot 1772, alles heeft aangeteekend, wat hem om de eene of andere reden merkwaardig voorkwam.

Het handschrift trok weldra de aandacht van de snuffelaars in Amsterdam's historie; ter Gouw besprak in 1871 de betrekking van den schrijver ervan tot de Vischmarkt; de Roever vond in een der mededeelingen aanleiding tot een zijner geestigste schetsen. De eerste, die het handschrift systematisch heeft gebruikt, was Elias, die in zijn hoogst belangrijk werk over de Vroedschap van Amsterdam tallooze aanhalingen uit het handschrift heeft gepubliceerd, die voor velen een der grootste aantrekkelijkheden van zijn merkwaardig boek zullen vormen.

Maar het werk van Elias is sinds lang uitverkocht en alleen antiquarisch tegen hoogen prijs te verkrijgen; bovendien leefden er, behalve de vroedschapsleden en hun verwanten, nog talloos vele anderen in Amsterdam, waarover we gewoonlijk niets