Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij in 1777 overleed, liet hij aan zijn weduwe een kapitaal van fl. 46000 na, terwijl een deel van zijn bezit aan de familie terugviel.

Belangrijker voor ons is, wat hij voor een man was. Intellectueel beteekende hij waarschijnlijk weinig; vreemde talen kende hij niet; Fransche woorden verhaspelt hij althans op merkwaardige wijze. In kunst of wetenschap zal hij, voor zoover uit zijn dagboek blijkt, weinig belang hebben gesteld; den schouwburg noemt hij alleen, als er iets heel merkwaardigs voorvalt; van natuurschoon maakt hij nimmer melding; reizen schijnt hij niet te hebben gedaan, behalve naar de buitenplaatsen van zijn vrienden, vooral aan zijn geliefde Vecht gelegen.

Wat weten we van zijn karakter? Uit de uitvoerige, vaak minutieuze beschrijving van de terechtstellingen, die hij vermeldt in benauwende volledigheid, is wel eens afgeleid, dat hij sadistische neigingen zou hebben gehad, zooals ook werd aangenomen door den eigenlijken bewerker van dit dagboek, den heer Beyerinck, na wiens ontijdigen dood ik de ter perse legging heb overgenomen. Ik meen dit echter te moeten betwijfelen en geloof, dat hij in den grond van de zaak was, wat men „een goeie kerel" pleegt te noemen. Ik denk daarbij niet alleen aan zijn groot verdriet, als zijn hondje, dat zulk een goede kameraad voor het gezin was, door een verzuim van de dienstboden in den regenbak verdronken is, maar vooral aan

Sluiten