Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goedmoedigheid van het volk. Op 12 December 1746 had een bekend straattype, Christiaan Krabbekop, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Het was een

goedmoedige dwaas, die de menschen met zijn grimassen vermaakte; naar men zei, was een liefdesgeschiedenis hem in „de harsenen geslaagen." Sinds veertig jaar had hij geslapen in een klein hokje in het Burgerwachthuis op den Kampersteiger; nu hij gestorven was, bezorgden zijn vrienden, de schuitevoerders, hem een glorieuze uitvaart. Zij had plaats met drie steigerschuiten; in de eerste was de kist

geplaatst; zes schuitevoerders losten bij de afvaart uit hun snaphanen salvo's; het vaartuig was met een groote Prinsenvlag versierd. De andere rouwdragenden volgden in twee andere schuiten. Bij het graf, op het Antoniekerkhof, nieuwe salvo's; zoo werd Christiaan Krabbekop ten grave gedragen.

Het is bekend, dat de misbruiken in de regeering in de achttiende eeuw, toen niets de macht der regenten beperkte, een grooten omvang aannamen. Bij vluchtige lezing der aanteekeningen in het dagboek blijkt hiervan niet veel. Bij het neerschrijven van de overlijdensberichten van regenten heeft Raye blijkbaar het: „van de dooden niets dan goeds", maar al te zeer in toepassing gebracht. Te verwonderen is dit niet; de regentenfamilies waren machtig en zelf had hij van hun protectie voordeel gehad.

Sluiten