is toegevoegd aan uw favorieten.

Sprokkelingen van een mysticus

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgelost en uit de opgedane ondervinding moet de quintessens van kennis worden getrokken, welke als „ziel" met den geest tot één moet worden gemaakt, om dezen laatsten te voeden en van onmacht te ontwikkelen tot almacht. Daarom werd aan de ouden den Tabernakel in de woestijn gegeven, en het licht van God daalde neder op het Altaar van Offering. Dit is van groote beteekenis. Het ego was juist neder gedaald in zijn tabernakel, het lichaam. Wij kennen allen de neiging van het primitieve instinct naar zelfzucht, en wanneer wij in de zedenkunde thuis zijn, dan weten wij eveneens hoe vernietigend voor het goede het zich overgeven aan egoïstische drijfveeren is. God bracht de menschheid daarom onmiddellijk voor het Goddelijk Licht op het Offeraltaar.

Op dit altaar werden zij gedwongen om voor iedere overtreding hun dierbare bezittingen te offeren; God was hun een harde meester, wiens ongenoegen het gevaarlijk was op zich te laden. Maar steeds trok het licht hen. Zij wisten toen, dat het vergeefs zou zijn om te trachten te ontsnappen aan de hand van God. Zij hadden de woorden van Johannes „God is Licht nog niet gehoord, maar zij hadden wel reeds tot op zekere hoogte van de hemelen de beteekenis van oneindigheid, naar den maatstaf van het rijk des lichts, geleerd, want wij hooren David uitroepen: „Waar zoude ik henengaan voor Uwen Geest, en waar zoude ik henenvlieden voor Uw Aangezicht? Zoo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of lei ik mij