Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een voorafgaand tijdperk. Het is bevorderd door de woordvoerders van een philosophisch immoralisme. De bioscoop geeft het tegenwoordig dagelijks voedsel. Er zijn tal van onschuldige vormen. De vogues van zeeroovers en apaches (chimères van erotisch gehalte, waarin een alledaagsch bestaan zich verlustigt) zullen weinig onheil stichten. Bedenkelijker wordt het reeds, wanneer het dagblad, in hoofdjes boven boevenstukken, van „gentleman-inbrekers" of van „bijna sympathiek van driestheid" meent te moeten spreken. Het is niet zoo erg bedoeld, maar het is niet zeer opvoedkundig, want men spreekt tot de geestelijk weerlooze massa. Een veel ernstiger symptoom is het volgende, dat iedereen dagelijks zal kunnen opmerken. Onrecht en wreedheid worden door tallooze, overigens weldenkende menschen geduld, aanvaard en goedgepraat met een gemakkelijkheid, die slechts in gedachtenloosheid haar verontschuldiging vindt. Toen in 1924 Lenin gestorven was, en de barbaarsche vertooning van zijn lijk begon, waren aanstonds velen in Europa, die volstrekt niet overhelden tot het communisme, bereid, dezen man, die, wat ook de waarde van zijn ideaal en de kracht van zijn wil mogen zijn geweest, mee schuldig stond aan een der vreeselijkste gruwelen der geschiedenis, op te nemen in het pantheon der groote helden-statenvormers. Het is, kan men zeggen, reeds een spraakgebruik geworden, Lenin in één adem met Napoleon te noemen. x)

Dit alles evenwel valt, als men wil, nog eenigermate onder de categorie van litteraire mode zonder blijvende beteekenis. Heel anders staat het met de officieele en door dwang opgelegde verheffing van den staat boven alle zedelijkheid en gerechtigheid, die het credo vormt van het hedendaagsche populaire despotisme. Machiavelli en Hobbes leerden, dat de staat immoreel wad ; zij voegden er, als ik het wel heb, niet aan toe, dat dit behoorde en goed was. De geldende staatsleer, toen en later, verzette zich tegen de aanvaarding van hunne meeningen, al kon zij daarmee niet het werkelijke statenverkeer tot een graad van oprechte zedelijkheid verheffen.

Tegenwoordig is dit anders. Wanneer in een groot en geestelijk hoog ontwikkeld rijk de regeering, bij officieele gelegenheden en bij monde van haar ministers, openlijk verklaart, dat enkel de bittere noodzakelijkheid van zijn machtstreven de handelingen van den staat beheerscht en moet beheerschen, en van gerechtigheid spreekt als illusie en fantazie, — wanneer zij aan het volksonderwijs opzettelijke geschiedvervalsching voorschrijft, — wanneer haar staatsrechtleeraars leeren, dat in de verhouding der staten de tegenstelling vriend-vijand die van waar-onwaar primeert, dan is dit alles de volledige belijdenis van een de dtaat den dtaat een wolf

*) Een artikel in L'Illustration van 4 Augustus 1934 verheerlijkt op gevoelvollen toon de vorstenmoordenaars van Sarajevo.

Sluiten