Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kend ledig, dat eiken blik in menschelijke toekomst onmogelijk maakt. Het is gemakkelijk genoeg, zich eenige katastrophale wendingen van verschillenden aard voor te stellen. Achter elk daarvan gaapt dan weer terstond het ledig : en hoe dan verder? Doch verondersteld, dat het Nederlandsche staatsleven de gelegenheid behoudt, zich geleidelijk verder te ontwikkelen, welke voorstelling zou men zich van zulk een ontwikkeling kunnen maken ? Hoogstens zekere negatieve, schijnt het. Het zou, dunkt mij, van weinig historischen zin getuigen, als iemand meende, dat aan ons huidig partijstelsel nog een lang en gelukkig leven van zeg honderd jaren beschoren was. Onze staatspartijen zullen als alle aardsche dingen veranderen en verdwijnen. Maar hoe ? •—• Zullen zij zich oplossen in een corporatieven staat ? —• De hemel beware ons er voor. —• Zullen zij uitsterven bij gebrek aan kiezers ? —• Het evenredig kiesrecht met zijn onzinnige consequentie van den kiesdwang verbiedt het. —• Zullen zij, in het inzicht van hun verouderdheid en overbodigheid, abdiceeren ? — Het wezen der moderne organisatie, met de macht der traditie nog daarenboven, maakt het bijna onmogelijk. — Slechts één mogelijkheid van geleidelijke ontwikkeling, tenzij men zich een spookachtig voortbestaan in hun hideuze gespletenheid zou kunnen denken, schijnt over te blijven : een naar elkander toegroeien, door het verflauwen der tegenstellingen, en ten slotte een zekere amalgameering, aanvankelijk nog in onderscheiden groepen wellicht, waarin op den duur de oude namen al hun beteekenis zouden verliezen, totdat eindelijk ook de afzonderlijke toestel van partijprogram en discipline werd buiten gebruik gesteld.

De teekenen der tijden schijnen op een begin van zoodanige ontwikkeling te wijzen. Er is al eens vergaderd, om vast te stellen, wat verbindt. Een Vereeniging van Nederlandsche partijen van orde, recht en vrijheid, die voorloopig het karakter zou kunnen dragen van een concern, schijnt niet meer in het gebied der onmogelijkheden te liggen.

Dat elke Nederlandsche volkseenheid zal moeten gedacht worden als eenheid in verscheidenheid, men zou, dunkt mij, geen Nederlander moeten zijn, om het niet bij voorbaat toe te stemmen. Samenwerking ondanks verschil van opvatting staat hooger dan eendracht op zich zelf.

Is er, bij alle verschil van overtuiging, traditie en temperament, genoeg, wat alle Nederlanders van goeden wille van hun staat begeeren ? •— Aan den eisch van orde ontkomt niemand : het is het beginsel van den kosmos. Voor velen evenwel schijnt er een keus te liggen tusschen de begrippen van gezag en vrijheid. De kreet om vrijheid, die eens zoo hartstochtelijk door de wereld schalde, is rondom verstomd. Het streven van den

Sluiten