Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze weinige regels zullen vermoedelijk reeds voldoende zijn om te doen beseffen hoe groote aantrekkingskracht er tusschen Stoïcijnsche en Christelijke levenshouding moet bestaan en waarom zij toch in den laatsten grond altijd weer als volstrekt onverzoenlijk moeten botsen. Het is ermede als volgens de krachthypothesen, die men soms tusschen de kleinste stofdeeltjes aanneemt, om de verschijnselen binnen het anorganische gebeuren te verklaren. Op grooten afstand trekken, zoo onderstelt men dan, die stofdeeltjes elkaar aan, maar naderen zij elkaar, onder de macht dier aantrekking zelfs met kolossale snelheid, dan slaat de aantrekking in afstooting om en wordt weldra zoo groot, dat ook de snelste toenaderingsbeweging in verwijdering overgaat. In de materieele wereld kan men zulk spel van krachten alleen door berekening van zijn gevolgen controleeren, in de geestelijke wereld ligt het duidelijk aanwijsbaar voor onze oogen. Althans de Europeesche geschiedenis zou men kunnen verdeelen en beschrijven naar dit schema van aantrekking en afstooting. Maar het spreekt van zelf, dat dit niet zou kunnen binnen het kader van deze verhandeling. Laat mij er slechts op wijzen, dat in de eerste eeuwen der Christenheid de aantrekking overweegt, zóó zeer, dat men de Middeleeuwsche gedachtenwereld als een onontwarbaar kluwen van Bijbelsche en GriekschStoïcijnsche opvattingen zou kunnen beschrijven. Dan, met de opkomst van de in hoofdzaak artistiek-litteraire en filologische, maar toch ook filosofische beweging, die men als Humanisme in specialen en engeren zin pleegt aan te duiden, scheiden de geesten zich weer : Reformatie ter eene, Humanisme ter andere zijde. Maar de verwantschap blijft toch voorloopig nog zoo groot, dat ontstaat wat Lindeboom het Bijbelsch Humanisme heeft genoemd en voor ons land beschreven. Natuurlijk wordt een zuivere splitsing des te moeilijker — hier wordt het beeld der anorganische krachten ontoereikend .—- naarmate de Bijbelsche invloed dieper is geworteld, traditie en historie van een volk duidelijker heeft gestempeld. Ik acht het dan ook met Lindeboom allerminst toevallig, maar in diepste werkelijkheid gegrond, wanneer hij zegt :

„voor een Bijbelsch humanisme waren deze streken bet beloofde land",

al kan ik niet onderschrijven de door mij gecursiveerde eerste woorden van een iets verder staanden zin :

,,«sleedó meer zijn de Nederlandsche humanisten oog gaan krijgen voor de innerlijke waarde der oud-Christelijke cultuur, en hebben zij daar met nadruk op

gewezen. Dit is ongetwijfeld voor een deel toe te schrijven aan het, boven

Sluiten