Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onafwijsbare noodzakelijkheid, hoe pijnlijk zij ook zij, leert men berusten. De arbeider van honderd jaar geleden wist, evengoed als zijn patroon, dat er nood in de wereld heerschte en geen overvloed. Maar thans ? Van de vijf productiefactoren : grondstoffen, energie-bronnen, geschoolde arbeidskrachten, werkmethoden en wil tot gemeenschappelijke regeling der distributie, zijn de vier eerstgenoemde in overvloedige mate aanwezig. Ik zeg niet „in elk land, op zichzelf genomen, aanwezig". Ieder weet, dat een groot land als Duitschland diep gebukt gaat onder de zorgen der grondstofïenvoorziening ; nog veel ernstiger zou in ons landje de toestand worden, als wij —* wat God verhoede —- op de grondstoffen van eigen bodem geheel zouden moeten terugvallen. Maar de menschheid als geheel heeft aan geen dezer vier gebrek. \Vat Roosevelt in zijn rede van 5 Maart 1934 als zijn einddoel heeft aangekondigd, dat

„niemand in de breede lagen der bevolking beneden Amerikaansch peil behoeft te leven"

is verwezenlijkbaar, zoodra

„niet de winst, doch de schepping van koopkracht als eerste en hoogste gebod van het productiestelsel wordt beschouwd",

zoodra dus niet meer het winstverlangen van particuliere ondernemers, maar de gedachte der behoeftebevrediging der gemeenschap leiding zal geven aan de materieele productie. Maar daartoe is noodig op nog gansch ongekende schaal

„samenwerking van werkgevers en werknemers ter eene zijde en van distributeurs en consumenten ter andere zijde.

Het is hier niet de vraag wat de technische hulpmiddelen zouden moeten zijn om productie en distributie aldus te regelen en de schrijver dezer regelen zou niet competent zijn het antwoord te zoeken, laat staan het te geven. Maar dat het psychische weerstanden zijn, niet zooals in alle andere eeuwen physieke, die thans armoede, ja honger in stand houden, daarover kan moeilijk meer worden getwist.

En wat ligt dan meer voor de hand, dan de schuld daarvan niet te zoeken bij zichzelf en de groep waartoe men behoort (het ras of het volk of de klasse), die immers altijd van goeden wille zijn, maar de schuld uitsluitend te geven aan den ander, die het kwade immers altijd gewild heeft en nog wil ? Wantrouwen en haat, die algemeen menschelijke eigenschappen, groeien nooit vreeselijker dan in tijden van nood. In onze dagen

Sluiten