Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijs, zijn grooten en zegenrijken invloed ook in het Nut heeft doen gelden, heeft het zich vrij gemaakt van dat geestelijk imperialisme, dat wij in § 4 moesten beschrijven. Toen in de laatste jaren van den wereldoorlog plannen beraamd werden om het Nut weder leiding te doen geven op paedagogisch en didactisch gebied, bleken — ik heb het reeds boven gememoreerd — alle barricaden gevallen, die Heldring bijna een eeuw geleden den door hem zoo begeerden toegang beletten tot arbeiden in Nutsverband. Sedert een man als A. H. Gerhard herhaaldelijk tot hoofdbestuurder werd gekozen, toetrad tot de redactie van Volksontwikkeling en voorzitter van het Curatorium van het Nutsseminarium werd, kan niemand meer beweren dat brandende begeerte naar sociale rechtvaardigheid en werken in den Nutskring onvereenigbaar zouden zijn. Maar, gelijk gezegd, samenwerking in breed verband stelt eischen van tucht, van gehoorzaamheid, van zelfbeperking.

En die eischen zullen ook de conditiones sine qua non blijken, als in de komende eeuw het Nut het programma in zijn naam gelegen, nog trouwer en algemeener zal trachten uit te voeren, dan in den tijd, die achter ons ligt. Dat schijnt mij niet slechts noodig, ik meen dat juist uit den nood van dezen tijd ook de mogeLijkheid geboren wordt. Oude starheden breken stuk; nieuwe inzichten en erkenningen breken open. Toen nu twee jaar geleden een nummer van Volksontwikkeling, gewijd aan School en Gemeenschap was verschenen, waarin de schrijver dezer bladzijden in zijn stuk over Opleiding tot Christelijke en maatschappelijke deugden uiting had gegeven aan zijn overtuiging

„dat de Nederlandsche volksgemeenschap der 19e en 20e eeuw, ondanks diepgaande verschillen, een levenseenheid vormt, die versterkt vermag en behoort te worden",

werd hij deswege door een der fijnste en bezonnenste dienaren van ons onderwijs op een voor dezen humanen beoordeelaar ongebruikelijk scherpe wijze om zijn illusionisme en optimisme op de vingers getikt. Maar in enkele besprekingen van de laatste maanden, gericht op de vraag in hoeverre allen, wien de Nederlandsche gedachte lief is, zouden kunnen samenwerken om te versterken bewustheid van Nederlandsche traditie en historie, en bezinning op Nederlandsche roeping in de wereld bij alle kringen van ons onderwijs, bleek de schrijver dier afbrekende critiek juist door den geestelijken nood van dit laatste jaar tot het bestreden standpunt bekeerd, dat ook bij mijzelf trouwens niet geboren was, dan onder den drang van dienzelfden nood, slechts wat eerder tot inzicht gerijpt en doorgebroken.

Sluiten