Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de godsdienstige overtuiging der ouders ; het was een verzet tegen wat men in die dagen het staatsmonopolie van onderwijs noemde.

Voor wij het verdere verloop van dezen strijd volgen, willen we nagaan met welke onderwijskwesties het Nut zich in deze dagen bezighield.

In de eerste plaats ontmoeten we hier het Voorbereidend Onderwijó. ; De z.g. Matressen-schooltjes waren ook in ons land zeer talrijk j over t algemeen verkeerden deze inrichtingen in slechten staat ; enge, dompige lokalen, meest woonvertrekken, —- onderwijzeressen zonder eenige opleiding of aanleg, — totaal gebrek aan hulpmiddelen, kortom meer ongeschikte bewaarplaatsen dan inrichtingen van onderwijs. Vaak ontmoet men de meening, dat verbetering in deze in de eerste plaats gekomen is door het bekend worden van Fröbels' denkbeelden in Nederland. Dat is echter onjuist; meer dan 20 jaar vóór dat Fröbel zijn eerste kindertuin in Rudolstadt (1840) stichtte, had het Nut zich met dit onderwijs beziggehouden en tal van voorbereidende scholen gesticht. Nadat vroeger reeds een publicatie was verschenen over : „de natuurlijke opvoeding der kinderen gedurende de twee eerste levensjaren," *) werd in 1823 een Handleiding voor Houderessen van kleine kinderscholen uitgegeven, geschreven door H. C. A. Visser, schoolopziener te IJsbrechtum. In het voorbericht zegt het hoofdbestuur van het Nut, dat „het van haren pligt oordeelde, ernstige „pogingen aan te wenden, om dit vaak veronachtzaamd, en echter zoo „belangrijk gedeelte van het Lager Onderwijs te verbeteren, en te trachten „deze schooltjes, van bloote bergplaatsen voor kleine kinderen, te hervor„men in de zoodanige, waaruit de kinderen met eenige voorbereiding, althans „met geen verkeerde indrukken voorzien, in de school van den onderwijzer „kunnen overgaan . Met deze handleiding tot grondslag zijn vele departementen aan het werk gegaan, en verrezen op tal van plaatsen de z.g. Nutsbewaarscholen. Het Hoofdbestuur steunde de departementen bij dit werk en gaf wenken ter verbetering, waar dit noodig was. Ook hier treft ons weer de hooge opvatting, die het Nut had van het onderwijswerk. De onderwijzeres op zulk een school, zoo lezen we, behoort vooral levendig te gevoelen, dat zij een liefdedienst verricht, de uitbreiding van het Rijk van God bevordert en bestendig arbeidt onder het oog van Hem, die ook haar met de vriendelijke woorden bemoedigde : „Wie een kind ontvangt in Mijnen naam, die ontvangt mij". Dan eerst zal zij als een ware moeder, een wezenlijke vriendin der kinderen zijn", enz.

Ook wat den technischen kant van het onderwijs betreft vinden we

Auteurs : G. Bakker en J. Vitringa Coulon. Opgenomen in Dl. V van de Prijsverhandelingen.

Sluiten