Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afzijdig hield van de verdere ontwikkeling der Leeszaalbeweging, toonden verscheiden departementen beter inzicht, door naar krachten het tot stand komen van een O.L.B. in de plaats van hun vestiging te bevorderen. Zoo stichtte Appingedam in 1911 een leeszaalgebouw, Alkmaar en Helder gaven hunne bibliotheken tegen voor de oude lezers gunstige voorwaarden aan de Leeszaal in bruikleen, Zwolle volgde later dit voorbeeld. In andere gevallen (Amersfoort, Utrecht, Zeist, Bussum, Hilversum, Middelburg, Meppel, Deventer, Breda, Bergen op Zoom, Franeker, Gouda e.a.) werd de nutsbibliotheek bij de oprichting der Leeszaal aan deze geschonken, waarbij meestal slechts een deel van den ouden boekenvoorraad voor het nieuwe doel bruikbaar bleek. Onze drie grootste nutsbibliotheken : die in Den Haag x), te Rotterdam en Amsterdam handhaafden zich nog gedurende een reeks van jaren na de oprichting der Openbare Leeszaal ter plaatse, doch successievelijk (Den Haag 1921, Amsterdam 1927, Rotterdam 1932 2) ) hebben zij ten gevolge van het gedurig slinken van lezerscorps èn van geldmiddelen het bijltje er bij moeten neerleggen. Doch de departementen Amsterdam en Rotterdam dienden de Leeszaalgedachte op een veld, dat de Leeszalen zelf om nog nader uiteen te zetten redenen zelf niet konden gaan bebouwen : zij waren de pioniers der kinderLeeózaai. Het was Mej. Gebhard, toen nog bibliothecaresse der Nutsleesinrichting te Amsterdam, die, aangevuurd door het Amerikaansche voorbeeld, in 1912 het initiatief nam ; onder haar bezielende leiding kwam in het oude, thans verdwenen Nutsgebouw aan den N.Z.Voorburgwal de eerste kinderleeszaal tot stand, later uitgebreid met filialen en met parkbibliotheekjeó in de groote vacantie. In 1920 moest het werk tijdelijk worden gestaakt, maar na 1926 verrees het, dank zij den krachtigen financieelen steun van het Nutsdepartement en de kundige leiding van Mej. L. Boerlage, die aan de jeugdleeszaal nog een centraal adviesbureau voor kinderlectuur verbond, tot nieuwe glorie. In Rotterdam vatte het Nut dit werk in 1916 op ; hier was Mevr. A. Bladergroen-van der Willigen de inspireerende persoonlijkheid, die op den bibliothekendag te Rotterdam 1917 in warme woorden een beeld van de wording van dit werk gaf3). Later nam Mej. H. Kluit daar de leiding op zich ; thans staat deze nutsinstelling onder beheer

^E,z.e bibliotheek bevatte in 1913 ong. 6000 boeken, telde 4600 lezers en leende jaarlijks 112.000 boeken uit 1 Zie : „Die Volksbibliotheken der „Maatschappij tot Nut van 't Algemeen", door J. D. Rutgers \an der Loeff, in . Niederlandisches Bibliothekswesen (gepubliceerd ter gelegenheid van de „Bugra"-tentoonstelling te Leipzig, Utrecht 1914). Aan dezelfde bron ontleen ik nog, dat de grootste helft van onze volksbibliotheken nog geen 1000 boeken bezit, en 2/3 deel daarvan minder dan 100 lezers. Meer dan 80 % heeft een jaarbudget van nog geen ƒ 100 1

2) In dat jaar werd de uitleening stop gezet; de boeken werden voorloopig verdeeld onder verschillende sociale instellingen, o.a. het Comité tot ontwikkeling van werkloozen.

3) Zie ook haar artikel in Nutswerk 1917.

Sluiten