Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoofdbestuur in hetzelfde jaar den Departementen als leiddraad aanbood. Reeds voor het verschijnen van het prae-advies richtte het Departement Haarlem een spaarbank op, gevolgd door Workum en in 1818 en volgende jaren door "teil Vcin andere Departementen.

De spaarbank was er voor den „gemeenen man" en de eerste taak der Besturen was om zijn aandacht op de instelling te vestigen en zijn vertrouwen er voor te winnen. Het gezag der Besturen was daarvoor wel groot genoeg, maar toch vindt men in een rapport van 1818 opgemerkt, dat „het veeleer degenen zijn, die in betrekkelijke welvaart leven, die de spaarbank gebruiken, dan de werklieden." En dit behoeft niet te verwonderen Er was geen sprake van spaardwang ; het resultaat van de spaarbank hing geheel af van den goeden wil van het volk, dat echter door het peil zijner beschaving lang niet altijd bereid was om ter wille van de toekomst afstand te doen van dikwijls twijfelachtige genoegens, waaraan men zich gewend had. En het is te begrijpen, dat, toen de crisis van i83o verscheidene spaarbanken in moeilijkheden bracht, men dadelijk bereid was tot wantrouwen, zoodat een rapport uit die dagen zegt, dat de arbeiders „een onoyerwinlijken afkeer hebben van al wat spaarbank heet." Beroepsstatistieken, die een indruk zouden kunnen geven van de klasse, die van de spaarbank gebruik maakte, ontbreken vrijwel ; uit een overigens zeer beperkte statistiek van 1871 blijkt, dat 46 % der inleggers zijn minderjarig of zonder beroep. Hierin mag een bevestiging worden gezien van de veronderstelling dat de spaarbanken bij haar sociaal streven om een verarmde klasse op te herten, hetgeen zij gesteund door toenemende welvaart niet zonder succes deden, reeds dadelijk zuiver economische diensten hadden te bewijzen aan menschen, die reeds tot een bescheiden welvaart waren gekomen, maar bij de gewone financieele instellingen niet thuis hoorden, en voor wie de spaarbank als middel voor veilige en rentegevende belegging een uitkomst was. De sociaal-ethische grondslag der spaarbanken, in welk begrip het sociale element veelal een zwakkeren klemtoon kreeg, gaf intusschen aan deze soort inleggers geen groote kans ; gebrek aan vlotte en zake ij e e an e 1 en de zeer beperkte openstelling hebben de spaarbank in dit opzicht geremd in haar natuurlijke ontwikkeling, die eerst in de 20ste eeuw is gevolgd, toen de houding der Besturen zich ging wijzigen. De spaarbank is toen vooral in de grootere plaatsen geworden tot een soort volkskassier die binnen de natuurlijke grenzen der instelling bereid is alle diensten te bewijzen die het vermogensbeheer van haar inleggers vraagt die geen verschil maakt tusschen rang en stand en ook ten aanzien van het bedrag van inleg en tegoed ruime opvattingen heeft. In tijden van onstabiele economische ver-

Sluiten