Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zesde van hun loon in de spaarbank te storten. Het Hoofdbestuur verklaarde het denkbeeld onbruikbaar voor de Maatschappij, omdat deze niet in alle gemeenten een afdeeling had, omdat een zoo gecentraliseerde inrichting niet anders dan van den Staat kon uitgaan en omdat men afkeerig was van den voorgestelden dwang tot sparen. Na dit advies schijnt het voorstel van de baan te zijn geraakt, maar het verdient in de herinnering te worden teruggeroepen om de gedachte van algemeenheid, die er aan ten grondslag ligt en die later in de Rijkspostspaarbank is verwezenlijkt.

Een ander bezwaar deed zich gevoelen, daar waar de Departementen het werk, dat zij voor hun instellingen deden, niet meer beheerschten. De spaarbanken waren instellingen van de Departementen en als zoodanig aan deze verantwoordelijk. Van lieverlede echter werd bij verschillende Departementen de band tusschen Departement en spaarbank losser, zoodat het Departement veel van zijn daadwerkelijken invloed ging verliezen; verscheiden spaarbanken kregen een soort natuurlijke autonomie. Ook de Departementen waren autonoom, maar zij ondergingen voortdurend den bevruchtenden invloed van de centrale leiding der Maatschappij. Voor zoover deze leiding spaarbankaangelegenheden betrof miste zij doel in die gevallen waar de Departementen geen gezag over hun spaarbanken hadden. En dwingende voorschriften aan de Departementen om maatregelen ten opzichte van hun spaarbanken te nemen kon de centrale leiding noch ook de algemeene vergadering geven, omdat de Departementen autonoom waren. Het gevolg was, dat tal van spaarbanken wel bleven binnen de geestelijke sfeer, maar kwamen te staan buiten de organisatorische ordening der Maatschappij. En de spaarbanken waren daartoe dikwijls ook wel geneigd. Het werk harer besturen was van geheel anderen aard : zij hadden een ander soort kennis noodig, want zij beheerden financieele instellingen en hadden een zekere financieele verantwoordelijkheid, die zij niet bereid waren anders dan pro forma te laten dekken door het in hun oogen en dikwijls ook in feite ondeskundige Departements-bestuur. Zoo werden de besturen der spaarbanken uiteraard dikwijls gekozen uit kringen, waarin het beheeren van vermogens in hoog aanzien stond en boven het ethische departementale werk werd verkozen.

Zoo waren vele spaarbanken geworden op zichzelf staande kleine instellingen, ongeorganiseerd, verstoken van den invloed van onderling overleg en dikwijls van begrip van de eischen, die toenemende welvaart en bevolkingsaanwas hun stelde. In een ander belangrijk opzicht had dit bedenkelijke gevolgen, doordat met de verwijdering tusschen Departement en spaarbank niet was gepaard gegaan een herziening van de rechtsverhouding. Vele spaarbanken hadden geen rechtspersoonlijkheid ; er

Sluiten