Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was een vermenging van beider vermogens. Vooral de spaarbanken met groote reserves achtten dezen toestand ongewenscht en van haar zijn uitgegaan de eerste stappen om ook rechtens het verband tusschen haar en het Departement nauwkeuriger te bepalen. Belangrijke adviezen omtrent de rechtsverhouding verschijnen voor het eerst in 1874. De Nutscommissie van 1882 en vooral de Nutscommissie van 1902 hebben in hun rapporten de gebreken, die in dit opzicht het spaarbankwezen aankleefden, uitvoerig uiteengezet.

Dat het gebrek aan organisatie op de ontwikkeling van het spaarbankwezen ongunstig had gewerkt, bleek wel uit het rapport, dat een door het Hoofdbestuur benoemde Commissie in 1871 uitbracht. Het spaarbankwezen voldeed naar het oordeel dezer Commissie volstrekt niet aan de behoeften des tijds. In slechts 180 van de 1134 gemeenten waren spaarbanken en de wijze, waarop zij werkten, was zeker voor verbetering vatbaar. De Commissie overwoog of het ,,Engelsche stelsel , een Staatsspaarbank, moest worden gevolgd; zij kon daartoe echter niet adviseeren, omdat zij zulke groote kapitalen toch niet aan den Staat durfde toevertrouwen; ook was naar haar meening het Postwezen in die dagen niet op het peil van het Engelsche Postwezen. De Commissie gaf er de voorkeur aan, dat de spaarbanken zich zouden herzien, door meer en meer doelmatige gelegenheid te geven tot sparen, en dat nieuwe spaarbanken zouden worden opgericht. Dit rapport werd aan de Departementen ter kennisneming gezonden en heeft ook wel verbetering ten gevolge gehad, maar afdoende resultaten had het niet. In 1875 bracht een nieuwe Nutscommissie rapport uit over de vraas; of een Rijkspostspaarbank moest worden opgericht. Zij kwam eveneens tot de conclusie, dat dit niet noodig was, indien de bestaande spaarbanken samenwerkten met de postkantoren. De Regeering heeft in die richting nog pogingen gedaan, maar zonder veel succes. En hierin, maar zeker veel meer in de gewijzigde inzichten omtrent staatsbemoeiing, ligt de reden, dat in 1880 de Rijkspostspaarbank werd opgericht, waarmede de zoo gewenschte uitbreiding van spaargelegenheid was verkregen. Verscheidene spaarbanken hebben in die oprichting aanleiding gevonden om te besluiten tot opheffing, daarmede toonende gemis aan besef, dat de bijzondere spaarbanken voordeelen bezitten boven een Rijkspostspaarbank, die, indien zij beter worden benut dan in den loop van de 19e eeuw veelal was gedaan, haar het bestaansrecht verzekeren, zooals de verdere ontwikkeling in de 20e eeuw heeft bewezen.

Als een der oorzaken van een grondige verandering mag worden gezien de catastrophe bij een Nutsspaarbank waarmede het spaarbankwezen

Sluiten