Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die niet bedeeld worden, te bevorderen, door hun goede en goedkoope woningen te verschaffen" (blz. 44). Waaruit men kan zien, dat het begrip „goed" betrekkelijk is en men zich een denkbeeld kan vormen, uit wat voor krotten deze arbeiders zijn gehaald geworden.

Ten slotte om aan te toonen, dat wij hier niet met op zichzelf staande gevallen te maken hebben nog een citaat, dat ons vertelt van het doen en laten der in i85i opgerichte Vereeniging tot het verschaffen van geschikte woningen aan de arbeiders-klasse te Arnhem :

„De woningen zijn bijna alle éénkamer-woningen; zij zijn gebouwd volgens twee typen, waarvan de platte gronden op Plaat 6 fig. 4 en 5 zijn voorgesteld.

Het verschil der beide typen ligt voornamelijk daarin, dat het eene aan de achterzijde een open plaatsje heeft, terwijl het andere tusschen twee straten is gelegen. Bij het eerste type zijn geen privaten aanwezig, doch zijn voor elk blok eenige privaten gebouwd voor algemeen gebruik. Over deze inrichting wordt door enkele bewoners zeer geklaagd ; bij verschillende woningen was dan ook aan de achterzijde door de huurders een houten schuurtje aangebouwd, waarin gelegenheid was gemaakt voor het plaatsen van een privaat-ton, welke van wege de gemeente wordt verschaft. Andere bewoners hadden een dergelijke ton op zolder ; daar de zolder echter gewoonlijk voor slaapplaats dient, is zulks niet aan te bevelen.

Bij het andere type maakt de ligging tusschen twee straten het aanbrengen van gemeenschappelijke privaten niet doenlijk ; elke woning is daarom van een privaat voorzien, dat zijn ingang in de kamer heeft, en waarvan de beerput op straat is gelegen" (blz. 91).

Ook deze passage geeft te denken. Dat de bewoners tot dergelijke praktijken komen als het aanbrengen van een privaat op zolder, wanneer er gemeenschappelijke privaten worden gebouwd •—• de Arnhemsche arbeiders schijnen in dien tijd hoogere eischen op dit gebied gesteld te hebben dan de Leeuwardensche •—• is begrijpelijk, maar dat dit geschiedt met de medewerking van de gemeente, kan naar onze huidige begrippen niet door den beugel. Merkwaardig is te vernemen, dat alleen omdat de woningen van het tweede type aan een straat gebouwd waren, de woningen van een afzonderlijk privaat waren voorzien. De teekening wijst uit, dat de eenige kamer in deze woningen, waarop het privaat uitkwam en die overigens één bedstede en een kast bevatte, 3.4° bij 4-4° ^no§ geen i5 JM.2 groot was. Wij zouden inderdaad een dergelijk verblijf geen „geschikte woning" meer noemen.

Nog in een ander opzicht is de inhoud van het hier besproken rapport leerzaam, immers ook de opvattingen der schrijvers kunnen eruit gekend worden, in het bijzonder waar zij de getroffen maatregelen aan een kritiek

Sluiten