Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teekenis van Ficino voor de theologie gering. Het oordeel over hem viel meestal zoo uit als von Harnack het in zijn „Dogmengeschichte velde.1 Deze erkende dat van de denkers der Italiaansche Renaissance groote invloed uitging op de vernieuwing der wetenschap, dat zij grondleggers waren van de wetenschappelijk-experimenteele natuurwetenschap, dat zij de phantasie en het discursieve denken tegen de Scholastiek deden zegevieren. Doch hun werk had, volgens von Harnack, weinig invloed op de theologie, omdat de Italiaansche Humanisten zich zoo goed als niet daarmede bemoeiden. In verband met dit oordeel wordt Ficino's naam in de „Dogmengeschichte" zelfs met genoemd, terwijl b.v. aan het Socinianisme een betrekkelijk groote plaats wordt ingeruimd. Slechts enkelen hebben de beteekems van Ficino voor de theologie erkend. De Italiaan LeopoldoGaleotti heeft in zijn 1859 verschenen „Onderzoek naar het leven en de werken van Marsilio Ficino" aandacht gevraagd voor diens leer inzake moraal en religie.2 Den laatsten tijd hebben G. Saitta, Iwan Pusino en Walter Dress de beteekenis van de theologie van Ficino aan een dieoer gaand onderzoek onderworpen.3

In verband hiermede dient ook te worden opgemerkt, dat meerdere bekende auteurs den invloed van Ficino op de Renaissance des Chnstendoms reeds vóór Pusino en Dress hadden vastgesteld. Wernle, Seebohm, Monnier en Renaudet hebben o.a. verband gezocht tusschen het werk van mannen als Faber Stapulensis, Gagum, Colet en Thomas Morus en Ficino. Van Rhijn heeft niet meer dan enkele bescheiden verbindingslijnen tusschen Wessel Gansfort en de kring van Ficino gevonden.4

Daartegenover staan opvattingen van de geschiedenis der ,Renaissance des Christendoms", die niet in Italië maar in Nederland de bakermat der beweging zoeken. Albert Hyma beschreef de „Christelijke Renaissance" als een wedergeboorte van Christendom en wetenschap, en beperkte dien tot den kring der „devotio moderna van de Broeders des gemeenen levens en de Windesheimer congregatie van reguliere Augustijner kanunniken. Volgens hem is er geen sprake van invloed der Italianen op deze beweging.5 Hyma gaat hierin veel te ver De devotio moderna, als uitdrukking van het streven van Groote, Zerbolt, Radewijns, Gansfort, en hun medestan-

» A. von Harnack, Lehrbuch der Dogmengesch., T. III, S. 449, 455, 513, fg. 2 L. G a 1 e o 11 i, Saggio intorno, etc art I pag 58-79. n

s I. Pusino, Ficinos und Picos rel.-phtl. Anschauungen, 1925. — W. Dress,

Die Mystik des M. Ficino, 1929.

* M. van Rhijn, Wessel Gansfort, blz. 105, vg., 242.

6 A. Hyma, The Christian Renaissance, p. 5.

Sluiten