Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ders omvat niet de geheele beweging van de „Renaissance des Christendoms". In zijn werk ontbreken de namen van Erasmus, Colet, Morus en Ficino. Wij mogen veronderstellen dat de stroom van de' Renaissance des Christendoms nog wel een andere bedding heeft kunnen kiezen dan langs den Agnietenberg bij Zwolle.

Lindeboom heeft in zijn werk „Het Bijbelsch Humanisme in Nederland als grondstelling aanvaard, dat de Renaissance dès Christendoms een openbaring is van het Humanisme, die niet weggelegd was voor het land zijner herkomst, Italië. In Nederland kiemde de levenskrachtige plant van het uit den Bijbel levende Humanisme, dat meer dan een theologie of een vorm van levens- en wereldbeschouwing, een wetenschap was. Erasmus is van dit bijbelsch Humanisme de pleegvader. Bij de wieg stond een ander, Wessel Gansfort.1 Doch bij deze beschouwing blijft de vraag open, bij welke strooming dan Faber Stapulensis, Morus, Beatus Rhenanus, John Colet, Ficino en hunne talrijke medestanders in Hongarije, Duitschland, Engeland Zwitserland, Frankrijk, aan de Sorbonne en in Tübingen behooren en of tusschen deze menschen ook onderling verband bestond. De veronderstelling schijnt niet te zeer gewaagd, dat de Renaissance des Christendoms een stroom is geweest, die door meerdere rivieren is gevoed; dat het bijbelsch Humanisme in Nederland en de kring te Zwolle en Windesheim aparte rivieren vormen, doch dat er dan ook nog eene is, die een bron vond in Florence, waar Ficino leefde en leerde.

Hiermede willen wij geenszins beweren dat Gaguin en Faber Stapulensis, Morus en Colet, Beatus Rhenanus en Erasmus en vele anderen al de hen kenmerkende ideeën aan Ficino hebben ontleend. Maar wij wagen de stelling dat er een groote leemte in de geschiedenis van de Renaissance des Christendoms blijft, dat allerlei gedachten en stroomingen onverklaard blijven, wanneer de beteekenis van Marsilio Ficino niet afdoende wordt uiteengezet. Op enkele vragen zal bij nader onderzoek meer licht vallen, met name: op welke wijze Aristoteles zijn albeheerschende plaats in het theologisch denken verloor, en Platos gedachten zoo groote belangstelling verwierven; waar de tegen het eind van de 15e eeuw ontwakende ijver voor de studie van Paulus zijn oorsprong vond, en de overal opduikende bewondering voor astrologie, magie en de Kabbala in verband met de theologie. Meerdere min of meer belangrijke geestelijke stroomingen, die zich van het Christendom niet wilden losmaken, vonden mede hare oorspronkelijke

* J. Lindeboom, Het Bijb. Human. in Ned., blz. 6, 15, vg. van Rhiin Gansfort, blz. 19, vg. 6 1 '

Sluiten