Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat haar man van zijn paard viel en de plaats waar het gebeurde. Het schijnt dat dergelijke visioenen haar vaak overkwamen.

Van de broeders en zusters van Marsilio is slechts bekend hoe zij heetten en in welk jaar ongeveer zij overleden zijn. Achtereenvolgens werden geboren: Cherubino, Daniello, Anselmo, Beatrice, Arcangelo, Angiola en Platone. Deze waren alle reeds geboren bij de kadastrale opgaven voor het jaar 1447. Angiola is tien jaar daarna reeds overleden, Anselmo stierf in October 1462. Bij dit laatste sterven schreef Ficino een merkwaardigen troostbrief aan zijn ouders en broeders. Beatrice is later gehuwd met zekeren F i 1 i p p o di Zenobiode' Pasquini. Slechts Beatrice en Arcangelo hebben Marsilio overleefd.1 In het gezin heerschte orde en tucht, vader was niet gemakkelijk, doch de moeder was een zachte en zeer vrome vrouw, die door Marsilio tot in hoogen ouderdom met bijzondere teerheid en liefde werd verzorgd.

Terwijl de jonge Marsilio in het kleine, stille Figline zijn dagen met droomen en spelen vulde, gebeurden er in het op 40 K.M. afstand gelegen Florence, groote dingen. Wij bedoelen het concilie, waar Oostersche en Westersche Kerk elkander voor het laatst officieel ontmoetten. Wij moeten een oogenblik het ons geheel onbekende kinderleven van Marsilio verlaten om aandacht te vragen voor gebeurtenissen, die later op zijn leven een beslissenden invloed zouden uitoefenen.

Den 17en September 1439 trok een zelfs voor de verwende Florentijnen zeldzame stoet plechtig door de straten van de stad. Patriarch J os e p h u s van Byzantium en zevenhonderd prelaten en bisschoppen, monniken en anachoreten hielden hun intocht. Na hen kwam keizer Johannes Palaeologus met zijn schitterende hofhouding. Hun doel was het concilie te bezoeken, dat juist van Ferrara naar Florence was verplaatst. In hun pracht en praal uitte zich de gedachte dat zij iets groots hadden aan te bieden: de eeuwenoude traditie en wijsheid van de Oostersche Kerk. Niemand echter in Florence of van de aanwezige pauselijke Curia ontveinsde zich den waren toestand: het Oosten kwam in uiterste nood hulp vragen bij het machtige Rome. Inderdaad was het de bittere nood die tot dezen stap dreef, de Unie, die reeds na het groote schisma van 1054, in 1274 te Lyon vergeefs

1 Cf. d e 11 a T o r r e, o.c., p. 96, n. 2.

Sluiten