Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nobele P i e r o, die levenslang aan gewrichtsziekte leed, doch steeds een zeer levendig aandeel nam in het intellectueele leven in Florence. Aan hem dankte de Universiteit de komst van Argyropoulos. Dezelfde belangstelling die Cosimo voor Plato had gehad, bezielde ook Piero.1 Kort na Cosimo's dood droeg Ficino hem zijn Xenocrates-vertaling op. Tijdens Piero's leven heeft Ficino de geheele vertaling van Plato voltooid, dus nog vóór het eind van 1469. De vrij spaarzame berichten aangaande de vertaling van Plato door Ficino schijnen elkander soms ten duidelijkste tegen te spreken. Ongetwijfeld is Corsi goed ingelicht, wanneer hij de vertaling van Plato in vijf jaar laat geschieden. Doch de opmerking van Ficino, dat hij bij Piero's dood (2 Dec. 1469) slechts negen dialogen aan Piero heeft kunnen voorleggen, is hiermede niet in strijd. Ficino bedoelt hier ongetwijfeld, dat hij de vertaling van die negen dialogen dan eerst in definitieven vorm gereed heeft. Herzien en nog eens herzien is het kenmerk van Ficino's werkmethode.2 Onder dit werk heeft Ficino zijn eigenlijke roeping leeren verstaan. Dit is niet geschied zonder zware geestelijke crisis. Corsi verhaalt van een tien jaren durende geestelijke gedruktheid bij Ficino. Strijd tusschen zijn godsdienstigen aanleg en zijn groeiende wijsgeerige overtuiging heeft hij voortdurend gekend. Het probleem van de verhouding tusschen geloof en wetenschap heeft hem levenslang benauwd en tot twijfel gebracht. Na den dood van Antonino in 1459 voelde zijn geest zich van uitwendige belemmeringen bevrijd; toen kon hij al zijn krachten wijden aan de Platonische en Neoplatonische wijsbegeerte. Daardoor werd hij meer en meer pantheist. De „oude theologen" Zoroaster, Hermes Trismegistos, Orpheus, Aglaophemus en Pythagoras waren hem autoriteiten geworden, die hij verre was gaan stellen boven de kerkvaders en de Heilige Schrift. De Zeus van Orpheus, het begin,

1 „(Petrus Medici) cuius prudentia atque pietate patria spem suam firmet et academia conquiescat." (O.O., II, 1965).

2 De Plato-vertaling in vijf jaren gereed, zie Corsi, § VII: „quinquennio absolvit". In 1464 (dood van Cosimo) zijn tien dialogen gereed, in 1469 (dood van Piero) negen dialogen (O.O., II, 1129). Over adviezen bij de vertaling gevraagd, zie de voorrede van de Plato-vertaling, ed. 1491. Angelo Poliziano, Cristoforo Landino en Bartolommeo Scala hebben de geheele copie onder oogen gehad. Verder heeft Ficino het oordeel gevraagd van: Demetrios Chalcondilas (toen hoogleeraar in het Grieksch te Florence), Giorgio Antonio Vespucci en Giovanni Battista Buoninsegni. Fabricius, Bibl. Graeca, lib. III, cp.I. p. 33, verhaalt de kritiek van Marcus Musurus. Hij streek de eerste vellen van Ficino's vertaling vol inkt, als de beste „emendatie". De herkomst van dit verhaal is mij onbekend; het wordt ook vermeld door Schelhornius, o.c., p. 95 en N i c e r o n i u s, Mémoires des hommes illustres, p. 224. Musurus te Venetië, cf. P. d e N o 1 h a c, Erasme et l'Italië, p. 32, 38. De scherpe kritiek in de sonetten van Pulci: zie G. V o I p i, Luigi Pulci.

Sluiten