Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij anders doen dan zoeken naar een andere autoriteit? Zijn denken, ook zijn godsdienstig leven, was op autoriteit ingesteld. De menschen hadden in dien tijd genoeg aan een uitwendig gezag, waarnaar zij hun leven, ook zuiver uitwendig, conformeerden. Hierin ligt de verklaring van het extreme en bizarre, dat zoovele menschen der Renaissance, ook Ficino, kenmerkte. De Orphysche hymnen en plechtigheden in de Academie, het zich vermeien in de diepzinnigheden van Aglaophemus en Zoroaster, waren een zoeken geweest naar normen van gezag, beter dan die, welke hij verloren had. Het was geen pose, geen gewild-klassiek en gewild-Oostersch doen. Er waren er wel, die met allerlei namaak hun innerlijke holheid en genotzucht wilden bedekken. Maar Ficino was het bittere ernst. Later heeft hij zeer juist zijn gemoedsgesteldheid in de jaren van twijfel beschreven. De boom der kennis had vele vruchten gegeven, doch de honger en dorst namen toe. „Waar zullen wij zekerheid krijgen? Zullen wij ons tot de philosophen wenden of onder ander gezag ons buigen, of ons aan de wellusten des levens overgeven? Nergens is rust: de wijsbegeerte verstrikt ons in haar onoplosbare twijfelingen en moeilijkste vraagstukken. Gezag verdrukt ons en het is toch nog maar een uiterlijke macht, die ons in slavernij brengt. Wellust is kort en valsch en brengt langdurige smarten en geeft steeds meerderen dorst. God, God alleen is het, die vrede kan geven." Dit is wel Ficino's duidelijkste weergave van zijn zielestrijd. Auctoritas en ratio, revelatio en ratio, God en de ziel worstelen in hem jarenlang.1 Dit tijdperk van tien jaren staat hem later als een tijd van bange donkerheid voor den geest.2 De waarschuwingen ontbraken niet. De Hongaar Janus Pannonius schreef hem ronduit: „Wat bedoelt ge eigenlijk met die renovatie van de antieken?" En met fijne ironie schrijft hij over de quasivernieuwing van het antieke leven, over de Orphysche hymnen en

1 O.O., I, 784, sq. en de inleiding op de Dialogus inter Deurn et animam theologicus (O.O. I, 609—611), gericht aan Michele Mercati: „Legi etiam apud Platonem nostrum, divina ob vitae puritatem revelari, potiusquam doctrina verbisque doceri. Haec igitur atque similia cum sedulo cogitarem, coepi quandoque lugere animo. Utpotequi et rationi iam diffiderem, et nondum revelationi confiderem. Ortus hinc est intimus quidam inter animam Deumque dialogus." Deze „Dialogus" wordt ook genoemd in den brief aan Poliziano (O.O. I, 619).

2 Ficino schreef aan Bandini (O.O. I, 660) over de onsterfelijkheid en goddelijkheid van de ziel: „O quam perspicax es, Bandine, qui subito intuitu cernas, quod ego primum per longas ambages decem annos investigavi, deidne composui hac de re quinquennio octo decemque libros." Deze „achttien boeken" vormen de „Theologia Platonica". Het quinquennium is dus na de jaren van twijfel (14591469) te stellen op 1469-1474. De herziene „Christelijke" Theologia is dus 1474 gereed gekomen. Zie verder ook Corsi, § VIII: „quadam amaritudine spiritus distractus".

Sluiten