Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huis moest aan dat van Plato gelijk zijn.1 In den loop van zijn eigen leven merkte Ficino telkens analogieën met Plato's leven op: evenals Plato verbrandde hij zijn jeugdwerk, hij schonk zijn erfdeel aan zijn broeders, hij had één vriend. Reinheid van zeden, matigheid, afkeer van lang slapen en dronkenschap zeide Ficino van Plato geleerd te hebben. Plato had bij Ficino den stereotypen eerenaam „urbanus", de hoffelijke stedeling. Ficino was een geestig causeur, wiens scherts lang in de herinnering bleef. Plato's melancholie en Plato's extasen zijn bij Ficino veelvuldig. Plato's poëtische, verheven en nimmer wijdloopige stijl heeft Ficino zoo ijverig mogelijk beoefend. Ja, zelfs ook in uiterlijkheden gelijken Ficino en Plato op elkaar.2 Uit alles blijkt zijn

1 Brief van Ficino aan Giov. Niccolini, bij zijn benoeming tot aartsbisschop van Amalfi in 1474 (Ficini, O.O., I, p. 668): „Memini cum adhuc puer esses, atque una cum Cherubino Quarqualione doctissimo praeceptore tuo nostram academiam salutares". Della Torre, o.c. p. 537, sg. haalt aan uit brief (in m.s. bewaard in de Collectiones Cosmianae, Laurenz., Plut. LIV, cod. 10, c. 81, r) van Ficino aan Cosimo, gedateerd 4 Sept. 1462, waarin Ficino dank zegt voor het geschenk van de villa te Careggi: „academiam, quam nobis in agro caregio parasti, veluti quoddam contemplationis sacellum. legitime colam, ibique dum spiritus hoe reget corpusculum, Platonis pariter ac Cosmi medicis natalem diem celebrem." Ficino heeft woord gehouden, cf. brief aan Lorenzo (O.O., I, p. 843, sq. ). Hij verhaalt hier, dat hij op den naamdag van de heiligen Cosmus en Damianus (de verjaardag van Cosimo dei Medici) een „convivium non absque orphyca lyra" hield, „in ipsa academiola", d.i. zijn eigen huis. Aan Franc. Musano schreef Ficino op diens verzoek, de opschriften, welke op de wanden van zijn „Academie" waren aangebracht: ,,Iussisti heri ut proverbium illud meum academiae parietibus undique inscriptum, tibi transcriberem. Accipe: a bono in bonum omnia diriguntur. Laetus impraesens. Neque censum existimes, neque appetas dignitatem, fuge excessum. fuge negotia, laetus impraesens." (P.O., I, p. 609).

2 De bedoeling van Ficino was: Plato's leven geheel na te bootsen. Zie de opdracht van „De vita producenda", aan F. Valori, 0.0 I, 509: „Quanquam Plato noster Genio suo vivit, et victurus est, ut arbitror, dum mundus ipse vivet, meus me tarnen Genius huc semper impellit, ut post divinum cultum ante omnia Platonis vitae prospiciam. Ad hoe ipsum iam diu nobis aspirat prae caeteris Medica domus." De trekken van Plato's leven, die in Ficino's leven weder verschijnen, zie: „De vita Platonis", O.O. I, p. 763-/70. Ficino verbrandde zijn jeugdwerk: „mihi semper cura fuit, non divulgare prophana, adeo ut neque commentariolis in Lucretium meis, quae puer adhuc, nescio quo modo commentabar, deinde pepercerim, haec enim sicut Plato tragoedias elegiasque suas. Vulcano dedi." _

De „platonische liefde" beschrijft Ficino in „De divino furore" (O.O. I, p. 612615) en in „De voluptate" (O.O. I, p. 987-1012). Als Plato had Ficino één hartsvriend: Giovanni Cavalcanti, „amicus unicus". Zie de 20 brieven aan hem, gebundeld in O.O. I, p. 624-634, en passim. De „gravitas, magnanimitas en sanctimonia Platonis", zie O.O. I. p. 767. Langs Platos Academie stroomde de Cephisus, Ficino hoorde de Terzolla ruischen. Plato sprak in de „Stoa

Sluiten