Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Italiaansche editie verscheen in het voorjaar van 1475. De vele aanhalingen in zijn werk „Over den Christelijken godsdienst" verraden een buitengewoon groote belezenheid van den schrijver. Zeer vele klassieke schrijvers worden geciteerd, maar ook de kerkvaders Origenes, Eusebius, Ambrosius en Augustinus. De Spaansch-Arabische mystieke philosophen van de Soefi-orde bleek Ficino alle te kennen: Alfarabi's werk over de Oorzaken, Avicenna, Avicebron over de Levensbron, Algazel en Albumasar's boek over de Zon. De Koran is hem niet onbekend. Naast het boek der Olympiaden van Phlegron las hij de astronomische tabellen van Julius Firmicus, en tevens getuigt zijn boek van een omvangrijke kennis van de Mischna en de Talmudische literatuur. Aboda-Zara, het tractaat over het heidendom, wordt vaak aangehaald. Ook de latere Scholastieke schrijvers worden telkens genoemd, met name Thomas van Aquino, Duns Scotus en Henricus Gandavensis.1 Ondertusschen had Ficino de eerste maanden van 1475 ook gebruikt om een tweede redactie van zijn „Symposion'-commentaar te schrijven. 1 Reeds vroeger had hij dezen Dialoog op aanraden van Cavalcanti vertaald en van commentaren voorzien. En gelijk Piero dei

1477). Zie ook Galeotti, o.c. art. 1°, p. 78. Ficino gaf zijn werk ten geschenke aan Naldo Naldi, onder den titel „De pia fide": O.O. I, 746. De Kon. Bibl. te 's-Gravenhage bezit een exemplaar der Latijnsche editio princeps, in 4° (de catalogus vermeldt: „Florence, c. 1470", dit moet zijn 1474). 1 De Talmudische en laat-Joodsche literatuur kende Ficino voortreffelijk. Hij haalde o.a. aan: (p. 32-34) de tractaten Camedrim (= Sanhedrin), Abodazara, het boek „Demay" (= 3e tractaat van de le Seder, Zeraim. van de Mischna). Van de latere literatuur citeert Ficino voornamelijk de Kabbalistische: Mozes Maimonides, Abulafia (zie Ginsburg, The Kabbalab, p. 193) het boek Jetsirah (het boek der Schepping, het eerste en voornaamste van de Kabbala, zie Ginsburg, q.w. p. 147), Rabi Salomon, Abba Judaeus (Over den Naam van den Messias), Rabi Moses Aegyptius (Epistola ad Africanos), Mozes Tyronensis, Hyoces in libro Cederlophan (de ordine mundi). David Chalchadias, Barachias (Liber de ordine mundi), Mozes Gerundensis, Chahadie in libro de credendis, Levi Benguerson Commentarius in Danielem, Reganati (= Menahen de Recanti, zie Ginsburg, q.w., p. 100, f.). Over ontstaan en invloed van den Koran spreekt Ficino op pag. 17 en 24. Zijn animositeit tegen Aristoteles blijkt uit de opmerking, dat deze een Jood was (pag. 30, i.i.). Zijn studie van de Hebreeuwsche taal toont hij op pag. 36, waar hij zegt dat „hahalma (Jes. 7 : 14) beteekent: puella abscondita, conservata. Hij leidt dus ten onrechte het Hebreeuwsch woord af van den wortel 'alam, verbergen. Als bekeerde Joden noemt hij: Evaristus, den achtsten paus. Alphonsus Burgensis en Nicolaus van Lyra. Een anti-Joodsche tendenz is in „De Christ. Rel." sterk merkbaar. Ficino vroeg aan Mirandola den Koran en een werk van Avicenna te leen: O.O. I, 8/9. Over Julius Firmicus, zie O.O. I, 763. Deze schrijvers „Platonem redolent . O.O. I, 899.

* Over de eerste Latijnsche redactie van het Librum de Amore, geschreven m 1467, zie bijlage III.

Sluiten