Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boekje te velde tegen de buitengewoon slechte hygiënische toestanden in Florence. Hij verhaalt dat, hoewel talloozen gevlucht waren, toch nog 150 menschen per dag stierven. Al glimlacht de moderne bacillenleer over de definitie, die Ficino van de pest gaf: „een giftige damp, die in de lucht ontstaat, vijandig aan den levensgeest, door specifieke eigenschappen", toch bevat het boekje vele nuttige wenken, vooral inzake hygiëne en isoleering van zieken. Zijn medische en chirurgische wijzen van behandeling achtte hij zelf minder doeltreffend dan zijn korte raad: „Mijdt menschen en besloten ruimten, vlucht snel en ver van de besmette plaatsen en keer laat terug."1 In dezen tijd van ellende was Ficino somber gestemd. Hij kon niet werken en raadde zijn vrienden, bijzonder den Venetiaanschen gezant Bernardo Bembö, de stad te verlaten en troostte hen en zichzelven met de hoop op de eeuwige gelukzaligheid.2 Inmiddels oefende hij zich in de Christelijkste aller deugden, het geduld.3 In December 1478 moest hij dringend financieelen steun vragen aan Niccolini, den aartsbisschop van Amalfi en aan kardinaal R i a r i o, daar het interdict over Florence hem alle hulpbronnen afsneed.4 En de laatste jaren waren vol van ziekte geweest. In Augustus 1474 leed Ficino aan zware koortsen en graveel.5 In Januari 1476 was hij weer bedlegerig.6 In November van dat jaar trof hem een zwaar ooglijden, dat bijna blindheid veroorzaakte en hem vele maanden lang lezen en schrijven uiterst bezwaarlijk maakte.7 Gelukkig was juist een maand voordat dit ooglijden begon, de Plato-vertaling gereed gekomen.

den adelstand verheven als freiherr von Sprintzenstein, later opperhofmeester der aartshertoginnen (zie: L. Geiger, Reuchlin's Briefwechsel, S. 251.

1 De sterfte in Florence: O.O., I, 578. Ficino gaf den raad: „laat niemand zonder de grootste voorzichtigheid dingen aanraken uit besmette plaatsen afkomstig, en niets eten dan wat gekookt, ontsmet of gereinigd is geworden." Een zonderling middel is: „quod doctorum nonnulli saepius ieiuno stomacho dare solent in potu: urinam pueri recens emissam, vel lixivium" (p. 582). De definitie van pest: „pestis venenosus quidam vapor est in aere concreatus, vitali inimicus spiritui, non quod propter elementarem aliquam qualitatem sibi contrarietur, sed specifica quadam proprietate" (p. 576). De korte raad: pag. 605.

2 O.O. I, 810, sq. (brief aan Bembo) en p. 824 (aan Cavalcanti).

3 O.O. I, 803 (aan Bembo): pag. 811 (aan Niccolini).

4 „Dispeream Hercle nisi dixero. Surgunt e coeno quotidie qui rapiant nobis coenam" (O.O. I, 815). „Deus humilem mihi fortunam dedit, Fortuna olim tenuem, nunc tenuissimam facultatem. Deo pareo, fortunae cedo, consentio facultati, exigua sum sorte contentus modo tuta" (pag. 816).

* O.O. I, 644 en 821.

' „Cum longas hodie in lecto moras trahere cogerer": O.O. I, 741.

7 „Morbus imaginum" (w.s. soort staar) genoemd in brief aan Lorenzo, eindigend in gebed tot Phoebus-Sol om licht (!), O.O. I, 755, sq.

Sluiten