Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zorg om zijn uiterlijke rust en den voortgang van zijn studiewerk te verzekeren. Ook in de dagen van Savonarola's val bewees hij dat van hem, met zijn schuchterheid, levensvrees, melancholie en zijn zwakke lichaam geen groote daden van zelfopoffering en doodsverachting te verwachten waren. Hij heeft moedig iedereen durven vermanen, die niet aan hooge zedelijke eischen voldeed, al was hij ook een Lorenzo. Maar zijn levenswerk ging hem voor alles. Wat hem daarin belemmerde, ontweek hij, indien hij het niet kon wegruimen. Een fijngevoelige, aristocratische geest als Ficino had een sterke vrees voor kerker en marteling. De gedachte daaraan alleen deed hem vertwijfelde pogingen aanwenden om zich ervoor te vrijwaren.

Ficino's laatste levensjaren waren vol zorgen en verdriet. Zijn vrienden ontvielen hem door den dood of verbanning. In 1494 stierven Poliziano en Pico en Filippo Valori, in 1498 Bernardo del Nero. Zijn moeder, die 84 jaren oud is geworden, heeft Ficino tot aan het eind van het jaar 1498 in zijn huis mogen verzorgen.1 Zonder rust heeft hij, tot zijn dood, zijn wetenschappelijke arbeid voortgezet. Wij kunnen hiervan slechts weinig vermelden. In den loop van 1494 sprak hij zeer vaak met NiccolöValori en Giovanni Cavalcanti over wijsgeerige onderwerpen, in het bijzonder over Plato,2 correspondeerde met Ramberto Malatesta van Forli, met hooge geestelijken en Fransche vrienden. De brieven uit dit tijdperk zijn opvallend kort. Hij ontving nog meermalen buitenlandsche geleerden, Florentinus Menchen van Keulen, J ean de Ganay, Jean de Mathéron, Faber Stapulensis en misschien John Co let. Op de voornaamste dialogen van Plato, onder welke de Philebos hem in dien tijd het meest bezighield, schreef hij nieuwe commentaren en besteedde verder zijn volle aandacht aan de Brieven van Paulus. Onder het schrijven van den commentaar op den Brief aan de Romeinen heeft de dood hem blijkbaar verrast. Een aanval van koorts sloopte hem in weinige dagen, en op den eersten October 1499 is hij in zijn geliefde „academie" te Careggi overleden. De juiste oorzaak van zijn dood is niet vast te stellen. Corsi spreekt van een maagkoliek of ouderdomszwakte.3 Plechtig werd

1 Corsi, par. XX zegt: „matrem Alexandram, quam singulari cura et observantia quamquam valetudinaria esset ad quartum et octuagesimum vitae annum produxit." Tijdens het kadaster van de eerste maanden van 1498 woonde Ficino nog met zijn moeder samen in de Via San Egidio (cf. Galeotti, o.c. art. 2°, p. 17, n. 4). Cf. brief aan den arts Mazzinghi, O.O. I, 955.

2 O.O., I, 952, 963. , rj

3 Corsi, par. XXIV: Ficino stierf op den dag en het uur van het onthoofden te Florence van Paolo Vitelli, aanvoerder van het Florentijnsche leger voor Pisa.

Sluiten