Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vader is de macht, de Zoon de wijsheid, de Geest de liefde. Het laatste oordeel is aan den Zoon gegeven, omdat de macht te streng, de liefde te zacht oordeelt. De wijsheid, de Zoon, waarborgt recht en billijkheid (p. 447). De goddelijke Triniteit, trina et una, is de eenheid van intellect, wil en liefde (p. 700).

God is de hoogste redelijkheid en tevens de absolute wil. Slechts schijnbaar is hierin een tegenspraak. In redelijkheid ligt de wetmatige gebondenheid, gelijk in de wil de vrijheid ligt. Hoe kan God gebonden en vrij tevens zijn? Ficino lost deze moeilijkheid op door den nadruk te leggen op den goddelijken geest als den scheppenden. Wat Hij denkt, denkt Hij in zichzelven. Wanneer wij dus stellen dat God in alle dingen is, en dat de veelheid der ideeën in God is, wil dat zeggen dat God in zichzelven is.1 Hier is de transcendentie opgeheven, God is louter in de natuur. De natuur is hier gezien als universaliteit, als totaliteit, de natuur als God.

Hoe schept God? In de christelijke dogmatiek is scheppen de daad van den vrijen, door niets gebonden wil Gods. Bij Plotinus is God absoluut gebonden aan zijn denken. Daarin ligt noodzaak: Gods denken dwingt hem tot scheppen. In al Gods werken is wel streven naar een doel, maar Hij heeft zelf geen bewustzijn, geen vrijen wil. Op dit principe berust de leer der emanaties. Ficino schijnt tusschen beide meeningen een bemiddelend standpunt in te nemen. Bij hem is God èn denken èn wil, dus gebondenheid en vrijheid tevens. God is de hoogste redelijkheid en dus kan uit Hem niets geschieden bij toevalligheid, maar al wat God doet is wetmatig gebonden, dus noodzakelijk. Maar, zegt Ficino, vóór de noodzaak was de vrijheid. De wet der noodzakelijkheid berust op de vrije wilsbepaling, die de noodzaak schiep. Uit Gods zijn vloeit verder vanzelve voort, dat God moet handelen.2 Als God wil, wil Hij zichzelf, en wil Hij tegelijk ook al het andere. De daad van den wil is hooger dan die van het wetmatig gebonden intellect. Voorzoover die andere dingen in God zijn, zijn zij God zelf; als zij uit God uittreden, zijn zij beelden van het goddelijk gelaat (p. 110, 967). Als handelen in God noodzakelijk is, dan is ook het effect van dat handelen noodzakelijk. Gods daad is de eenige werkelijkheid. De natuur bestaat alleen in zooverre als God haar in het bestaan bewaart (p. 101, 493), en toch is de schep-

1 „Deum ubique esse, intellegi debere, eum in seipso esse. Consistens Deus in se, existit ubique. Nee per mundum Deus, sed mundus per Deum, quatenus potest extenditur", p. 98.

2 „absoluta quadam voluntatis necessitate", p. 110. Hier worden dus beide begrippen, denken en willen, tot een eenheid verbonden.

Sluiten