Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beeld van het universeele voorbeeld (imago universi exemplaris exacta) de wettige dochter van den Vader van het heelal, een eeuwigdurende straal van het bovenhemelsche licht, en tegelijk de weerkaatsing van de natuur in de zon (p. 706). De ziel is onsterfelijk en eeuwig (p. 475, 1752-1/56). Denken en wil zijn de twee deelen van den menschelijken geest, die tot een waarachtige eenheid zijn saamgesmolten, gelijk bij God zelf (p. 476). Des menschen wil is vrij. Wie wil, kan (Deum sequi est: veile sequi, p. 1, 700). De vrijheid van den menschelijken geest is zijn hoogheid. De dieren zijn gebonden aan hun natuurdrang, zij leven zonder kunst of hebben slechts een scheppend vermogen, dat buiten hun bewustzijn omgaat. Zij handelen omdat zij niet anders kunnen. De mensch echter handelt en kan telkens wat anders doen.1 De kunst bootst de natuur niet na: zij heeft haar eigen wetten.2 De hoogheid der menschelijke kunst wortelt in de macht tot zelfbepaling van den mensch. Zoo zijn de druiventros van Zeuxis, de paarden en honden van Apelles en de Venus van Praxiteles, werken die beter zijn dan de natuur ze kon maken: immers hier is de triumf van den menschelijken geest over de stof (p. 296). De mensch heeft de moreele kracht om een gezin, de maatschappij, de menschheid als een eenheid te scheppen, en heeft daar elk offer voor over (p. 297). De schrijfkunst, de taal, „tolk van den geest, heraut van het gevonden oneindige" (p. 298) en zoovele vindingen en scheppingen van den mensch bewijzen, dat de mensch in zijn vrije wilskracht met God wedijvert (aemula Dei, p. 298). Gelijk God, doorzoekt de mensch aarde, hemel en hel. Hij schrikt voor niets terug en wil steeds

1 nieuwe werelden veroveren (p. 311). De geschiedenis des menschen is daarom een beeld van steeds verder voortschrijdende vooruitgang. Aan den jongen Jacopo Bracciolini schreef Ficino over de waarde van de geschiedenis: het doorgaand onderzoek daarvan is den mensch van het hoogste nut, omdat zij niet alleen het leven veraangenaamt, maar \ voor opbouw van een waarachtige zedelijkheid noodzakelijk is. Wat op zichzelf sterfelijk is, verkrijgt door de geschiedenis onsterfelijkheid, het verwijderde wordt tegenwoordig, het oude blijkt nieuw te zijn. Een grijsaard is groot door de ervaring van zeventig jaren, wie geschiedenis bestudeert wordt oneindig rijker, door de ervaring van duizenden jaren. In de geschiedenis blijkt de voortdurende opstijging van den vrijen menschelijken geest.3 Deze is overal tegenwoordig: verleden, heden, toekomst zijn in hem tot één verbonden. Daarom zoekt de mensch met zijn eeuwigen geest twee dingen. Allereerst roem, d.i.

1 „ipsi consilio suo alias aliter se ipsos agunt", p. 478.

2 „non servi sumus naturae sed aemuli", p. 295, sq.

3 Cf. p. 658, en p. 657: „praeteritum magister est praesentis atque futuri .

Sluiten