is toegevoegd aan uw favorieten.

Marsilio Ficino

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evangelica, als hoogste zedewet, meer dan aan de Mozaïsche en Platonische wetten deze bijzondere kracht, dat zij de volledige deugd kan bewerken bij hen die door het tweevoudig geloof zijn gereinigd (p. 434). Biecht en berouw zijn noodzakelijk, om het in den mensch insluipende kwaad te beletten zich vast te zetten (p. 867). Het gebed helpt ook op den weg der deugd, vooral het driemaal daags zingen van den psalm „Exaltabo te Deus meus rex" (p. 910, aan Barbarö). Wie oprecht bidt, wordt verhoord (p. 909 aan Lorenzo). God kan niet anders dan het oprechte gebed verhooren, omdat ons heele menschelijke wezen naar Hem uitgaat. God zou anders het ondankbaarste van alle wezens zijn (p. 319). De imitatio Dei, die in de aanbidding wordt beoefend, is het bewustzijn omdragen, dat onze ziel Gode evengelijk worden kan (p. 915).

§ 5 - Kerk - Sacramenten

De Kerk, die Ficino zes en twintig jaren als priester trouw heeft gediend, aanvaardde hij zooals hij die vond. Scherpe kritiek heeft hij uitgeoefend op het gebrek aan wijsgeerig inzicht bij de priesters (p. 1), maar hij heeft nimmer op misbruiken in de kerk gewezen. Hare hiërarchische orde en eenhoofdig bestuur bewezen hem, op grond mede van de autoriteit van Dionysius, dat zij een goddelijk instituut was. Een onderscheid tusschen zichtbare en onzichtbare kerk kent Ficino niet. Heilsgemeenschap en uitwendige organisatie vallen voor hem samen. De Paus is het hoofd der kerk van rechtswege, als wettig opvolger van Petrus en als vicarius Christi (p. 815). Christus' rijk is niet van deze wereld. Hij heeft daarom aan de pausen en hun opvolgers in ononderbroken successie de heerschappij in geestelijke zaken opgedragen tot aan het eind dezer wereld. De heerschappij over wereldsche gebieden is den pausen slechts als bijkomstige zaak gegeven, niet in hun waardigheid van plaatsvervangers van Christus, maar als erfgenamen van keizer Constantijn. Het wereldlijke gezag van de pausen mag allerminst ontkend worden, maar meer dan driehonderd jaren hebben de pausen wereldlijk gezag gemist en zij moeten het ook kunnen stellen zonder dat (p. 50). Ficino durfde den Paus wel herinneren aan zijn plicht, en dat op scherpe wijze; zijn vermaning ontleende haar kracht aan de onbereikbare hoogheid van de pauselijke macht van Godswege (p. 813, sq.). De kardinalen zijn de „cardines" van de Kerk. Indien zij geen heilig leven leiden en niet met hun heele wezen het heil der kerk zoeken, dan zijn zij heiligschenners en vijanden van Christus. Apostolische mannen moeten zich nergens verder van verwijderd houden dan van feesten, weelde en over-