Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daad. Den jongen kardinaal Raffaele Riario riep Ficino toe: „Bedenk dat gij een mensch zijt en dat de andere menschen in niets van U verschillen. De menschelijke geest is van nature vrij en moet niet door vrees maar door liefde worden gewonnen". Er ligt verborgen kritiek in de volgende vermaningen: „Uw muziek zij de weievenredigheid van al uw daden, uw spel zij het lezen van de uitnemendste geschriften. Alleen „humanitas" is het lokmiddel, waarmede menschen kunnen worden gevangen. Een kerkvorst moet uitblinken in kennis, waardigheid, wijsheid, zachtmoedigheid en onomkoopbaarheid. Slaap, wellust, zorgeloosheid, toorn vooral moeten verre van hem zijn. Wie lichtgeloovig is als kardinaal, regeert slecht. Noodig zijn oudere en bezadigde raadgevers. Onzedelijke bedienden moeten weggezonden worden, want zij bederven den goeden naam van hun meester. Een kerkvorst moet de ooren openen voor alle klacht der armen, doch die sluiten voor den Sirenenzang der vleierij, want deze is zelf blind of heeft er groot belang bij dat de gevleide blind zij. De wet straft ten strengste die het booze oog hebben (!), of met tooverzangen en -spreuken misleiden, hoeveel te meer moeten wij afkeer hebben \ an hen die vleien. Het huis van een kerkvorst moet zijn: een tempel Gods, een oog der voorzichtigheid, weegschaal der gerechtigheid, zetel der standvastigheid, regel der matigheid, voorbeeld van goede zeden, glans der liefde, bron aller gratiën, koor der Muzen, oefenschool % an redenaars en dichters, heiligdom der wijsgeeren en godgeleerden, senaat der wijzen, kweekplaats van geniale menschen, belooning der geletterden, tafel der armen, hoop der goeden, toevlucht der onschuldigen, eergestoelte der ellendigen. Dan zal Christus op deze Petra alleen Zijn gemeente kunnen bouwen" (p. 793-/98).

Ficino hield het gezag der kerk hoog. Alle leeringen in zijn boeken stelde hij uitdrukkelijk afhankelijk van de approbatie door de kerkelijke overheid (p. 424). Over Ficino s waardeering van het priesterschap hebben wij boven reeds uitvoeriger gesproken. Het priesterschap had voor Ficino hooge waarde. De priester is een God in den tijd, quasi Deus (p. 643, 744). Inzake de sacramenten heeft Ficino zich geen enkele kritiek veroorloofd. Niet alle sacramenten worden echter in zijn werken genoemd. De Doop is een instituut met wijder zin dan de besnijdenis. God schenkt daarbij de afwassching der erfzonde (p. 62). De Doop is geen belofte, maar teeken van tegenwoordige, actieve genade. Het is een signum et signaculum. het deelt niets mede, maar wordt slechts effectief door het geloof (p. 464, cf. p. 453, sq.). De Eucharistie is de dagelijksche herhaling van het offer des Heeren (p. 61). De oneindige genade van den Schepper wordt door Zijn liefde aan het schepsel medegedeeld door de gemeenschap

Sluiten