Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontving. Poliziano beantwoordde de vriendschap van den zooveel ouderen en reeds beroemden geleerde, door hem verschillende diensten te bewijzen. Toen Ficino eens voor Lorenzo gepreekt had en hem daarna een brief met nadere uitlegging zond, moest Poliziano dien brief op het geschiktste moment voorlezen. De laatste veertien jaren van zijn leven was Poliziano hoogleeraar in Latijn en Grieksch aan de Universiteit van Florence en onderhield hij een vrij levendig verkeer met de „Plato-academie". In 1489, toen Ficino in grooten nood was wegens zijn boek „De Vita", heeft Poliziano hem geholpen met voorspraak bij machtige vrienden. Overigens zijn Poliziano en Ficino geen geestverwanten te noemen. Poliziano was bevreesd voor systemen en philosophie die, naar hij het uitdrukte, zijn poëzie en rhetoriek levend verslinden zouden. Zijn leven en werken vertoonden overigens een contrast met de idealen van Ficino, die een streng zedelijk leven eischte. De andere dichters, die Ficino's Plato-academie trouw bezochten, zijn meest van geringe beteekenis geweest.

Van de vele rechtsgeleerden, die Ficino's ideeën geestdriftig aanhingen, noemen wij slechts: den secretaris van Lorenzo, PietroDovizi (Bibbiena). Deze heeft vooral na Lorenzo's dood een machtigen invloed op de politiek van Italië gehad. In hem had Ficino een toegewijd leerling en verbreider van zijn leer. Nicolö Michelozzi blonk in velerlei hooge ambten uit. Hij heeft, na de ambtsperiode van Macchiavelli, van 1512-1527 het verantwoordelijke en invloedrijke ambt van kanselier der stad bekleed. Belangrijk was ook de invloed van Giovanni, uit het vermaarde juristengeslacht der Soderini, die vele jaren als gezant op de moeilijkste posten zijn vaderstad heeft gediend. De hoogleeraar in het kanonieke recht te Pisa, Antonio Cocchi, die door zijn ambt op de vorming van vele geestelijken invloed had, was een trouw aanhanger der Academie. De Plato-Academie werd ook door vele medici bezocht. Ficino noemde de medici steeds samen met de musici en theologen. In zijn systeem toch behooren deze drie bij elkaar. Zijn trichotomische beschouwing vorderde een drievoudige „verzorging van den mensch. Voor het „corpus" moest de medicus zorgen, voor den „spiritus" de musicus (want de geest leeft van geuren, zangen en klanken), voor de „anima" de theoloog. Ficino hield zichzelf voor een „compleet" mensch, omdat hij theoloog èn medicus èn musicus was, en als wijsgeer deze drie functies tot een eenheid kon verbinden.1 Ficino was een bekwaam genees- en heelkundige. Zoo kwamen vanzelf vooraan-

1 Cf. O.O., I, p. 609 (brief aan Francesco Musano da Iesi). Ficino schreef tweemaal een Laus medicinae: O.O., I, 645, 759, sq.

Sluiten