Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelling tusschen Aristoteles en Plato. Ficino was de eerste, die de tegenstelling tusschen beide groote wijsgeeren scherp heeft gesteld. Het verschil zag hij voornamelijk in de polariteiten van idealisme en realisme, speculatie en experimenteele wetenschap, theologie en physiologie, de dingen-in-God en God-in-de-dingen.1 In de „School van Athene" strekt Aristoteles, de „Ethica" in de hand houdend, de rechterhand naar de aarde uit, terwijl Plato, met de „Timaeos", naar boven wijst. Links op den achtergrond wijst Ficino aansnellende jongelingen naar Plato. Rafaël en zijn opdrachtgever namen dus een eigen standpunt in tegenover het vraagstuk, dat reeds zeventig jaren lang de geesten had bewogen. Beide wijsgeeren staan als de groote leiders in het midden. De arbeid van Bessarion, Ermolao Barbarö en Pico, die de eenheid van gedachten bij Aristoteles en Plato wilden bewijzen, werd dus naar waarde geschat. Aristoteles is niet van het tooneel verdwenen, de kerk liet hem niet los. Maar de tegenstelling werd erkend, en onmiskenbaar blijkt hier de voorliefde voor Plato, wiens figuur met volle bezieling en gloed is geschilderd. Belangrijk is ook, dat Pythagoras is voorgesteld in de onmiddellijke nabijheid van Plato. Daarmede heeft Rafaël hetzelfde nauwe verband tusschen Plato en Pythagoras gelegd, dat Ficino zoo vaak heeft aangetoond: de ideeënleer van Plato wortelde in de Pythagoreïsche harmonieënleer.

Bij M i c h e 1 a n g e 1 o zijn verschillende gedachten van de Plato-academie terug te vinden.2 De geweldige trilogie van de plafondschilderingen der Sixtijnsche kapel is geheel in den geest van Ficino gedacht. Hettner merkt zeer juist op dat Michelangelo den zondeval en de erfzonde meer zag als een tragedie dan als schuld. De ziel des menschen is hemelsch van oorsprong en heeft door de inkerkering in het lichaam den strijd met de zinnenlust en de hartstochten moeten aanbinden. De vloek der eindigheid, het verlies van de goddelijke, ongerepte reinheid, deed de ziel in de aarde zinken, maar zij hield de herinnering aan den verloren staat vast, hunkerde terug naar de

1 Ficini O.O., II, 1438: „De naturalibus Plato agit divine, quemadmodum Aristoteles vel de divinis naturaliter agit," etc. Hettner, Ital. Stud., S. 196, meent dat Pietro Pomponazzi in zijn De immortalitate animorum (1516) voor het eerst het verschil tusschen Aristoteles en Plato formuleerde. Daarin was echter Ficino voorgegaan. Ten opzichte van Bessarion en Pico heeft Hettner gelijk.

2 Voor Michelangelo Buonarotti (1476-1566) zie: H. Grimm, Michelangelo. Hettner, Ital. Stud., S. 253-266. A. Schultz, a.w. I, S. 188-195. Michelangelo Buonarotti, Rime e Lettere, Firenze (G. Barbèra), 1914 (hierin: Vita di M.A., da Ascanio Condivi, p. 27-159, en suppl. door Gir. Ticciati, p. 161-172).

Sluiten