is toegevoegd aan je favorieten.

Het ontstaan, streven en einddoel der vrijmetselarij. Met 333 citaten en 9 facs.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE GNOSTIEKEN

De naam Gnosticismè is afgeleid van yvöjoig: gnosis, kennis, — yveoorixóg, gnostikos, wil dus zeggen: kundigen, wetenden.

De omsprong van dit stelsel van menschen, die zich ter beoefening van de wetenschap afzonderden van de groote massa, boven welke zij zich hooglijk verheven achtten,1) dateert van vóór de Christelijke jaartelling, en wel verscheidene eeuwen. Het eigenlijke bloeitijdperk van het Gnosticisme duurde van kort vóór Christus' geboorte tot ongeveer vier eeuwen daarna, maar het heeft langen tijd zijne nawerking doen gevoelen-, vooral in het Oosten. Het ligt niet binnen het bestek van dit werk, een schets te beproeven van de vele sekten, waarin het Gnosticisme gesplitst was, — gesteld al dat de mogelijkheid daartoe bestond. Het eigenaardige van het stelsel is, dat het geen vaste leer had doch slechts eenige hoofdbegrippen, die op verschillende manieren, in verscheiden systemen, konden worden uitgewerkt, — welke stelsels alle door de Gnostieken erkend werden, al waren dezen voor zich een afwijkend gevoelen toegedaan, zooals thans nog de Vrijmetselarij verschillende Godsbegrippen duldt en variëerende ritussen erkent.

Volgens Arendzen2) waren de Gnostieken trouwe beoefenaars der sterrenwichélarij, waarin zij een onwrikbaar vertrouwen stelden. Een ander gedoe, waarmee zij zich afgaven, was de magische kunst, de tooverij. Magiër (toovenaar) en wijze warens eensluidende begrippen. De beoefening daarvan geschiedde door middel van bepaalde woorden, spreüken, gebaren, daden, het mengen van stoffen enz.

Deze tooverij was bij de Oostersche volken reeds van ouden datum. Uit het Bijbelverhaal omtrent het onderhoud van den Farao van Egypte met Mozes blijkt, dat er aan diens hof dergelijke magiërs waren verbonden. En uit dat omtrent het dispuut tusschen Simon den Toovenaar en Siïnon Petrus blijkt, dat na Christus dood deza practijk nog volop beoefend werd. Dit conflict tusschen het eerste opperhoofd der Christengemeenschap en een der voormannen van het Gnostieke stelsel symboliseert vrij teekenend den strijd, die er van den aanvang af tusschen het jonge Christendom en de in 't oude Heidendom wortelende Gnosis is gevoerd.

De Gnostieken beweerden, dat Jesus van Nazareth tijdens zijne jeugd, die hij in Egypte doorbracht, in de leer der Gnosis is ingewijd: dat Joannes de Dooper ze zuiver predikte, Jesus echter niet, en dat het eigenlijke, het ware Christendom niet in de leer van Christus maar bij hen te vinden is. Vele historici schrijven dan ook de apocriefe Evangeliën, Acta, Apocalypsen e. d., die in de eerste eeuwen zoo talrijk verschenen, toe aan de zucht der Gnostieken om hunne leer tegenover het opkomend Christendom als de ware te

') In majonnieke geschriften kan men herhaaldelijk lezen, dat ook de Orde-leden a superior quality van menschen zijn.

') Cath. Encyclopedia, VI, i. v. „Gnosticism "