is toegevoegd aan uw favorieten.

Het testament van de stervende moeder der broeder-uniteit, waarin zij, te midden van haar volk en naar haar bijzonder wezen haar levensloop voleindigd hebbende, de haar door God toevertrouwde schatten onder hare zonen en erfgenamen verdeelt.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog is er raad; doet, wat Petrus na zijn val gedaan heeft; bezint u, gaat heen uit het bisschoppelijk paleis in de een of anderen hoek, waar andere discipelen zich verbergen, weent en weeklaagt meer dan anderen, daar gij meer dan anderen gezondigd hebt. Indien gij niet terstond naar buiten wilt gaan, zoo lang God u het hanengekraai laat hooren en zoolang de Heer, in boeien voor zijn onrechtvaardige rechters staande, u aanziet, zult gij te zijner tijd hierover zekerlijk berouw hebben. Want als gij wacht, tot uw geweten, zooals dat van Judas, zich verhardt, zal het te laat zijn. Heden, heden, zoo gij zijne stemme hoort, verhardt uw hart niet, maar laat u leiden; verootmoedigt u, betert u, staat vast, zoo lang gij nog op den weg zijt. Zulke Petrus-schreden, waarmede gij tot de schare terugkeert, die gij verlaten hebt, vermaak ik u, o gij verdwaalde zonen!

8. Wat zal ik aan de anderen onder u, die in de Broedergemeenschap overgebleven zijn, wat hun getal ook moge zijn, in mijn testament vermaken? Geween zij hun deel, boetedoening en zich te beteren voor het aangezicht van den almachtigen Heer.

9. Ik beveel u een dergelijk geween aan, als de Heer het geheele huis Israël aanbeval, toen hij zijne priesters met vuur in zijn Tent had doen omkomen, omdat zij vreemd vuur voor den Heer gebracht hadden en God de Heer den overgebleven priesters niet toestond te weenen; maar het volk moest weenen (Leviticus 10:1—6). Ook nu hebben mijne eerstgeborenen gezondigd, de wachters van mijn heiligdom onder u, want zij hebben