is toegevoegd aan uw favorieten.

De wijsbegeerte der rozekruisers in vragen en antwoorden. Uit het Engelsch vertaald door A. J. J. Hattinga Raven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geleerd : „De ziel die zondigt, zal sterven." Als de ziel onsterfelijk was, zou dat een onmogelijkheid zijn. In het Nieuwe Testament wordt het woord „onsterfelijk" of „onsterfelijkheid" maar zes keer gebruikt. Het beduidt iets, waar men naar moet streven, of dat een attribuut van God is.

Wat echter den geest betreft, staat de zaak anders, en zelfs waar daarvan sprake is, wordt het woord „onsterfelijk" niet gebruikt. Onsterfelijkheid is erin begrepen, op dezelfde wijze als de leerstelling der wedergeboorte in talrijke passages ligt opgesloten, maar de leer der wedergeboorte komt er toch nog beter af dan de leer betreffende de onsterfelijkheid van den menschelijken geest, want de leer der wedergeboorte werd ten minste éénmaal beslist geleerd, n.1. in Mattheus XI: 14, waar de Christus van Johannes den Dooper zeide : „Hij is Elias." In die uitspraak lag de leer der onsterfelijkheid wederom opgesloten, want als de geest Elias als Johannes de Dooper herboren was, moest hij den dood van het lichaam overleefd hebben. De leering der onsterfelijkheid was te dien tijde één der mysterie-leeringen, en zelfs tot op heden kan zij nauwelijks gedragen worden, tenzij een mensch het pad van inwijding betreden heeft en daar zelf de continuïteit van het leven aanschouwt.

In antwoord op de vraag kan men echter constateeren, dat alles ervan afhangt, wat men onder ,,positief bewijs" verstaat, en welke aanspraken de persoon, die het bewijs verlangt, ter beoordeeling van die bewijzen kan laten gelden ? Men kan een probleem over trigonometrie niet aan een kind bewijzen, maar als men het kind den tijd geeft om te groeien en als men hem behoorlijk de grondbeginselen leert, dan zal men het probleem gemakkelijk kunnen bewijzen. Evenmin kan men aan een blindgeborene het bestaan van kleur en licht bewijzen ; er zijn feiten, die hij niet naar waarde schatten kan, omdat hem het vereischte vermogen ontbreekt. Als hij echter door een operatie het gezichtsvermogen terugkrijgt, zal het niet meer noodig zijn hem die feiten te bewijzen, want hij zal de waarheid