is toegevoegd aan uw favorieten.

De wijsbegeerte der rozekruisers in vragen en antwoorden. Uit het Engelsch vertaald door A. J. J. Hattinga Raven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was, maar niet volmaakt. Was het volmaakt geweest, dan zou er niets meer te doen zijn geweest, en de evolutie zou overbodig zijn geweest. Het menschelijke ras werd niet echt menschelijk, vóór de tweede helft van het Lemurische Tijdvak, toen de geest van de lichamen bezit begon te nemen. De menschheid uit dien tijd, — Adam en Eva, — verschilde sterk van onze huidige menschheid. Ook zij waren de uitkomst van een evolutieproces, want er bestaat niet zooiets als plotselinge schepping. Die wezens waren vanuit het minerale rijk, waarin zij begonnen, door stadia van plantachtige en dierachtige ontwikkeling voortgeschreden, en er was geen sprake van een enkel paar, zooals gewoonlijk door orthodoxe geloovigen begrepen wordt, maar van een menschheid, die op het in den Bijbel vermelde tijdstip mannelijk en vrouwelijk beide was. Er wordt gezegd, dat Hij hen man en vrouw schiep ; bovendien was het niet de eerste maal, dat de mensch op aarde geweest was, of dat de aarde bewoond was, zooals men uit Genesis i : 28 zien kan, waar Hij hun beval heen te gaan en de aarde te hervullen, wat aantoont, dat de aarde vóór de komst van hen, die Adam en Eva genoemd worden, de verblijfplaats geweest was van bepaalde andere wezens. Josephus zegt, dat Adam „roode aarde" beteekent en het Hebreeuwsche „Admah waarvan Adam afgeleid is, beteekent „vaste grond", en dat geeft den toestand zeer goed weer. Adm (zooals in den Hebreeuwschen tekst staat) kwam niet op aarde, voordat zij vast en stevig geworden was, maar hij kwam toch, voordat de aarde behoorlijk afgekoeld was, zooals zij nu is, en zoo was de aarde werkelijk in dien tijd in een rooden, vurigen toestand. Hij was hier al eerder geweest. Gedurende de Tijdvakken voorafgaande aan het Lemurische, zweefden de geesten boven de vurige aarde en hielpen mede haar te vormen en te kneden, zooals zij nu is. De menschelijke geesten uit dien tijd waren bezig lessen te leeren, waarmede wij voor het oogenblik niets te maken hebben. Wij waren op dat moment onbewust, maar deden het werk even goed als b.v. onze spijsverteringsorganen de scheikundige