is toegevoegd aan uw favorieten.

De wijsbegeerte der rozekruisers in vragen en antwoorden. Uit het Engelsch vertaald door A. J. J. Hattinga Raven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu zien. Het was aapachtig, een gedrongen romp met reusachtige armen en beenen, de hielen naar achteren uitstekend, en bijna zonder hoofd — ten minste het bovengedeelte van het hoofd ontbrak bijna geheel. De mensch leefde in de stoomachtige atmosfeer, die occultisten vuur-mist noemen ; hij had geen longen, maar ademde door middel van buisjes. Hij had van binnen een blaasvormig orgaan, waarin hij verhitte lucht blies, en dat hem helpen moest bij het overspringen van reusachtige kloven, wanneer vulkanische uitbarstingen het land, waarop hij leefde, verwoestten. Achter uit zijn hoofd stak een orgaan, dat nu binnenin het hoofd getrokken is en dat in de anatomie de pijnappelklier of het derde oog genoemd wordt, hoewel het nooit een oog was, maar een plaatselijk gevoelsorgaan. Het lichaam was toen verstoken van gevoel, doch wanneer de mensch te dicht bij den krater van een vulkaan kwam, werd de hitte ervan door dit orgaan gesignaleerd, om hem op een afstand te houden, voordat zijn lichaam gevaar liep vernietigd te worden.

Op dat tijdstip was het lichaam al in zoo ver vast geworden, dat de mensch niet langer door sporen kon voortbrengen, en ook was het noodzakelijk, dat hij een denkvermogen, een brein zou ontwikkelen. De scheppende kracht, die wij nu gebruiken om spoorwegen, stoombooten, enz. enz. in de buitenwereld te bouwen, werd toen naar binnen gebruikt voor het opbouwen van organen. Evenals alle krachten was zij positief en negatief. De eene pool werd naar boven gericht om het brein op te bouwen, terwijl de andere pool beschikbaar bleef voor het scheppen van een nieuw lichaam. Zoo was de mensch niet langer een volkomen scheppingseenheid. Elk wezen bezat slechts de helft der scheppingskracht, en daardoor was het noodig, dat het buiten zichzelf een ander wezen zocht ter aanvuUing. .

Op dat tijdstip echter „waren hun oogen nog niet geopend en de menschelijke wezens uit dat tijdvak waren in de Stoffelijke Wereld van elkaar niet bewust, hoewel zij in de Geeste-