is toegevoegd aan uw favorieten.

De wijsbegeerte der rozekruisers in vragen en antwoorden. Uit het Engelsch vertaald door A. J. J. Hattinga Raven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verleden teruggaan, toen de wordende mensch nog niet de huidige ontwikkeling bereikt had. Toen hij voor het eerst op deze aarde kwam, werd in het Polaire Tijdvak zijn grofstoffelijk lichaam opgebouwd, terwijl dit in het Hyperboreesche Tijdvak met nieuw leven bezield werd door de toevoeging van het aldoordringende levenslichaam. In dat stadium was de mensch aan de Engelen gelijk, mannelijk-vrouwelijk, een volkomen scheppingseenheid, in staat uit zichzelf voort te brengen, door zijn geheele scheppingskracht — die liefde is — uit te zenden.

Later was het noodig, dat de mensch een brein ontwikkelde, en om dat doel te bereiken, werd de helft van zijn scheppingskracht naar binnen gekeerd, om de vereischte organen op te bouwen. Vanaf dien tijd moet de mensch de medewerking zoeken van iemand, die de andere helft der sexueele kracht, noodig voor de voortplanting, bezit. Nu heeft hij zelfzuchtig lief, ten einde die medewerking van den ander voor de voortplanting te verkrijgen, en hij gebruikt de andere helft der scheppingskracht, waarmede hij zijn brein en strottenhoofd opbouwde, ook al zelfzuchtig om te denken, omdat hij kennis wenscht te verkrijgen.

Vroeger had de mensch zijn geheele scheppingskracht onzelfzuchtig, zonder eenig voorbehoud, uitgezonden. Sinds de scheiding der sexueele kracht is de mensch ten slotte zelfzuchtig geworden en daardoor door aantrekking een prooi voor anderen van gelijken aard.

De Engelen waren de menschheid uit het Maan Tijdperk en hebben sindsdien hun huidigen hoogen ontwikkelingstrap bereikt, maar daar er in elk groot gezelschap achterblijvers zijn, zoo waren er ook in het geval van de Engelen sommigen, die niet meekonden — een klasse wezens, die bij de Engelen ten achter waren, maar boven de menschen stonden. Zij verkeerden in een treurigen toestand, want zij konden de ontwikkeling van de Engelen niet bijhouden, en evenmin konden zij zóó laag in de stof zinken als de mensch. Zij konden het niet, zooals de Engelen, buiten een brein stellen, en toch waren zij on-