is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teekenen de goedheden, wanneer zij de natiën betreffen, en waarheden, wanneer zij de volken betreffen, zooals bij David: „Alle familiën der natiën zullen zich voor U „buigen, want het Koninkrijk is van Jehovah, en Hij „heerscht over de natiën" (Psalm 22 : 28, 29), en bij denzelfde: „Geeft Jehovah, gij familiën der volken, geeft „Jehovah heerlijkheid en sterkte" (Psalm 96 : 7). In dit en in het voorafgaande vers van dit hoofdstuk wordt „familiën" van de goedheden gezegd, daar het de familiën van de natiën waren.

1262. Hieruit kan nu blijken, dat door aarde hier ook de Kerk wordt aangeduid, want wanneer de aarde wordt genoemd, wordt er niets anders onder verstaan dan de natie of het volk daar ter plaatse, en wanneer een natie of een volk wordt genoemd, niets anders dan hun aard; vandaar beteekent de aarde niets anders dan de Kerk, zooals eerder in de nrs. 662 en 1066 is aangetoond.

1263. Dat „na den vloed" beteekent, van het begin der Oude Kerk af, blijkt hieruit, dat de vloed het einde der Oudste Kerk was, en het begin der Oude Kerk, zooals eerder in de nrs. 705, 739 en 790 is aangetoond.

1264. Hieruit kan nu blijken, dat dit hoofdstuk, hoewel er louter namen van natiën en familiën in voorkomen, nochtans in het algemeen niet alleen alle verschillen van den godsdienst ten aanzien van de goedheden der naastenliefde en van de waarheden des geloofs bevat, welke zich in de Oude Kerk bevonden, maar ook de verschillen in elke Kerk afzonderlijk, ja zelfs meer dingen, dan een mensch ooit zou kunnen gelooven. Van dien aard is het Woord des Heeren.

Over de menschen van voor den vloed, die te gronde gingen.

1265. Boven het hoofd, op zekere hoogte, waren eenige geesten, die in mijne gedachten invloeiden, en deze als het ware gebonden hielden, zoodat ik zeer in duisternis was; zij drukten op mij met een vrij groote kracht. De geesten, die mij omringden, werden door hen desgelijks als het ware gebonden gehouden, zoodat zij