is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de beteekenis van den steen, die in breeden zin het ware is, waarover eerder in nr. 643. Dat de steenen het ware beteekenen, komt omdat de grenzen der Oudsten door steenen werden aangegeven, en omdat zij steenen oprichtten tot getuigen dat iets aldus was of dat het waar was, zooals blijkt uit den steen, dien Jakob stelde tot een opgericht teeken, Gen. 28 : 22; hfdst. 35 : 14; en uit den steen tusschen Laban en Jakob, Gen. 31 : 46, 47, 52; en uit het altaar, dat de zonen van Ruben, van Gad en van Manasse aan de Jordaan tot een getuige bouwden, Jozua 22 : 10, 28, 34; vandaar worden in het Woord waarheden door steenen aangeduid, en dit ging zelfs zoo ver, dat niet alleen door de steenen van het altaar, maar ook door de edelsteenen op de schouderbanden des efods van Aharon en op den borstlap des gerichts de heilige waarheden werden aangeduid, welke tot de liefde behooren. Wat het altaar betreft: toen de eeredienst der offeringen op de altaren begon, beteekende het altaar den uitbeeldenden godsdienst des Heeren in het algemeen, maar de steenen zelf de heilige waarheden van dien godsdienst; daarom werd bevolen, dat het altaar gebouwd zou worden uit geheele steenen, ongehouwen, en verboden, een ijzer over deze steenen te bewegen, Deut. 27 : 5, 6, 7; Jozua 8 : 31, omdat de gehouwen steenen, en waarover een ijzer bewogen is, kunstmatige dingen beteekenden, en aldus verzinselen van godsdienst, dat wil zeggen, hetgeen uit het eigene, of uit de verdichtselen der gedachte en des harten van den mensch voortkomt, en dit heette den godsdienst ontheiligen, zooals duidelijk gezegd wordt in Exod. 20 : 25. Om dezelfde reden werd ook geen ijzer bewogen over de steenen van den tempel, I Kon. 6:7. Dat de edelsteenen op de schouderbanden des efods van Aharon, en in den borstlap des gerichts desgelijks de heilige waarheden beteekenden, is eerder in nr. 114 aangetoond; hetgeen ook blijkt bij Jesaja: „Zie, Ei zal uwe steenen in „karbonkel leggen, en op saffieren grondvesten, en uwe „zonnen (vensters) tot pyropen maken, en uwe poorten „tot kostelijke steenen, en uwe gansche grens tot ge„wenschte steenen; en al uwe zonen zullen van Jehovah „geleerd zijn, en de vrede uwer zonen zal groot zijn" (54 : 11, 12, 13); de hier genoemde steenen staan voor