is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1327. Dat de woorden: „Jehovah verwarde de lip der gansche aarde" den staat dezer Oude Kerk beteekenen, namelijk dat de innerlijke godsdienst begon te gronde te gaan, blijkt hieruit, dat gezegd wordt „de lip der gansche aarde", en niet als eerder in vers 7 de lip dergenen die de stad en den toren begonnen te bouwen; door het aangezicht der gansche aarde wordt de staat der Kerk aangeduid, want de aarde is de Kerk, zooals eerder in nr. 662 en 1066 is aangetoond. Met de Kerken na den vloed was het aldus gesteld: er waren drie Kerken, welke in het Woord in het bijzonder vermeld worden, namelijk de eerste Oude Kerk, welke naar Noach werd genoemd; de tweede Oude Kerk, naar Eber geheeten; en de derde Oude Kerk, naar Jakob geheeten, en nadien naar Jehudah en Israël. Wat de Eerste Kerk betreft, te weten de Noach genoemde: zij was als het ware de ouder der volgende, en zooals het met de Kerken in haar aanbegin het geval pleegt te zijn, had zij meer ongereptheid en onschuld, zooals ook uit het eerste vers van dit hoofdstuk blijkt, waar gezegd wordt dat zij van eenerlei lip was, dat wil zeggen, van eenerlei leer, in dien zin dat van allen de naastenliefde het wezenlijke was. Maar in den loop der tijden begon zij, zooals gewoonlijk met de Kerken geschiedt, eveneens te vallen, en wel voornamelijk hierdoor, dat velen van hen den godsdienst op henzelf begonnen over te brengen, om aldus boven anderen uit te blinken, zooals hierboven uit vers 4 blijkt: „want zij zeiden: laat ons voor ons eene stad bouwen, en eenen toren, en zijn hoofd zij in den hemel, en laat ons eenen naam voor ons maken". Dergelijke menschen konden in de Kerk niet anders werken dan als een soort van gist of als brandstichtende toortsen. Toen nu daardoor het gevaar der ontwijding van het heilige, waarover in de nrs. 571 en 582, dreigend nabij was, werd de staat dezer Kerk door de Voorzienigheid des Heeren veranderd, namelijk zoodanig, dat haar innerlijke godsdienst te gronde ging en de uiterlijke overbleef, hetgeen hier is aangeduid door de woorden: „Jehovah verwarde de lip der gansche aarde". Hieruit blijkt ook, dat een dergelijke godsdienst, die Babel wordt genoemd, niet in de Eerste Oude Kerk de overhand nam, maar in de volgende Kerken, toen men de menschen als