is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„zijn" (Exod. 19 : 5, 6), alwaar het koninkrijk van priesters, dat het Rijk des Heeren in de Hemelen en op aarde is, krachtens de hemelsche dingen der liefde, duidelijk een heilige natie wordt genoemd; daarentegen'komt het „Rijk des Heeren krachtens Zijn Koningschap" uit de geestelijke dingen der liefde, en wordt een heilig volk genoemd; vandaar zijn de koningen uit de lenden, waarvan eerder sprake was, de geestelijke dingen. Bij Jeremia: „Indien deze ordeningen voor Mij zullen wijken, zegt „Jehovah, zullen ook zij, het zaad Israëls, ophouden, dat „het geene natie zij voor Mij, al de dagen" (31 : 36); zaad Israëls voor het hemelsche der naastenliefde, en wanneer dit ophoudt, is het geen natie meer voor den Heer. Bij Jesaja: „Het volk, zij, die wandelden in duis„ternis, hebben een groot licht gezien; gij hebt de natie „vermenigvuldigd" (9 : 2, 3); hier wordt in het bijzonder gehandeld over de Kerk der natiën, en in het algemeen over allen, die in onwetendheid verkeeren en in naastenliefde leven; dezen zijn de natie, daar zij tot het Rijk des Heeren behooren. Bij David: „Opdat ik aanschouwe „het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde „met de blijdschap Uwer natie; opdat ik mij beroeme met „Uw erfdeel" (Psalm 106 : 5), alwaar de natie duidelijk voor het Rijk des Heeren staat. De beteekenis van de natie, namelijk dat zij het hemelsche der liefde is en het goede dat daaruit voortkomt, ontstond uit deze innerlijke gewaarwording, dat de menschen der Oudste Kerk, in huizen, familiën en natiën waren onderscheiden en daarbij het Rijk des Heeren innerlijk gewaar werden, en daar zij het Rijk des Heeren gewaar werden, ontwaarden zij het hemelsche zelf; uit deze gewaarwording ontstond de aanduiding, uit deze aanduiding de uitbeelding.

1417. Dat „eene groote natie" wordt gezegd van de hemelsche dingen en van de goedheden, blijkt uit hetgeen nu is gezegd en aangetoond, voorts uit hetgeen eerder in nr. 1259 is gezegd en aangetoond; hieruit kan men weten, wat de Kerk der natiën in den eigenlijken zin is.

1418. Dat de woorden: „En Ik zal u zegenen" de bevruchting der hemelsche dingen en de vermenigvuldiging der geestelijke dingen beteekenen, kan blijken uit de beteekenis van zegenen in het Woord, waarover gehandeld zal worden in hetgeen terstond volgt.