is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zinnelijke en het lichamelijke had, staat vast; maar daarin, dat het zinnelijke en het lichamelijke van Hem daarna met de hemelsche dingen vereenigd en Goddelijk werden, was Hij niet als een ander mensch. Door Loth wordt het zinnelijke en lichamelijke des Heeren zelf uitgebeeld, of, wat hetzelfde is, Zijn zinnelijke en lichamelijke mensch, zooals Hij was in den staat van Zijn kindsheid, en niet zooals Hij werd, toen Hij door de hemelsche dingen met het Goddelijke werd verbonden.

1429. Dat de woorden: „Abram was een zoon van vijf jaren en zeventig jaren," beteekenen, dat er nog niet zooveel Goddelijks was, kan blijken uit het getal vijf, dat weinig beduidt, en uit het getal zeventig, dat het heilige beduidt. Dat vijf weinig beduidt, is eerder in nr. 649 aangetoond, en dat zeventig of zeven het heilige is, in de nrs. 395, 433, 716, 881; daar hier zeventig op den Heer betrokken wordt, beteekent het het Goddelijk heilige. Dat ook de getallen van de jaren van Abram in den innerlijken zin iets anders beteekenen, kan blijken uit hetgeen eerder aangaande jaren en getallen is gezegd en aangetoond in de nrs. 482, 487, 493, 575, 647, 648, 755, 813; en hieruit, dat er in het Woord niet het 'kleinste woordje en niet een enkele jota bestaat, die niet een innerlijken zin heeft; en wanneer dit getal geen geestelijke en hemelsche dingen bevatte, zou het nooit vermeld zijn, dat Abram toenmaals vijf jaren en zeventig jaren oud was, en ook zou dit alles op dien leeftijd van Abram niet bestaan hebben, zooals dit ook blijken kan uit andere getallen in het Woord, zoowel van jaren als van maten.

1430. Dat de woorden: „toen hij uit Charan uitging" den donkeren staat des Heeren beteekenen, zooals deze aan de knapen jaren van den mensch eigen is, kan blijken uit de beteekenis van Charan in het vorige hoofdstuk, waar Therach met Abram eerst kwam, en waar Therach, de vader van Abram, stierf (vorige hfdst. 11, vers 31, 32), voorts uit hetgeen volgt, namelijk dat Jakob naar Charan ging, waar Laban was (Gen. 27 : 43; hfdst 28 : 10; hfdst. 29 : 4). Charan was een streek, alwaar een uiterlijke godsdienst bestond, en wel met betrekking tot Therach, Abram en Laban, een afgodische. Doch in den innerlijken zin wordt niet datgene aangeduid, wat in het uiterlijke is, maar slechts iets duisters; de voor-