is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin het Woord zelf is, blijkt uit vele plaatsen, die onthuld zijn, zooals „Uit Egypte heb Ik Mijnen Zoon geroepen" (Matth. 2 : 15) behalve nog tal van andere plaatsen; ook de Heer Zelf heeft na de Opstanding den discipelen geleerd, wat bij Mozes en de Profeten van Hem geschreven was (Lukas 24 : 27), dat aldus niets in het Woord geschreven staat, wat niet op Hem, op Zijn Rijk en op de Kerk betrekking heeft; dit zijn de geestelijke en de hemelsche dingen des Woords; daarentegen zijn de dingen, welke de zin van de letter bevat, voor het meerendeel wereldsche, lichamelijke en aardsche dingen, welke nooit het Woord des Heeren kunnen uitmaken. Heden ten dage zijn de menschen van dien aard, dat zij niets anders dan dergelijke dingen gewaar worden; wat geestelijke en hemelsche dingen zijn, weten zij nauwelijks. Anders was het gesteld met den mensch der Oudste en der Oude Kerk; wanneer deze heden ten dage leefde, en het Woord las, zou hij in het geheel geen aandacht schenken aan den zin van de letter, welk hij als niets zou beschouwen, maar op den innerlijken zin acht geven; zij verwonderen zich zeer, dat iemand het Woord anders in zich opneemt; daarom zijn ook alle boeken der Ouden zoodanig geschreven, dat zij in den innerlijken zin iets anders bevatten dan in de letter.

1541. En Abram klom op wit Egypte, hij en zijne vrouw, en al wat hij had, en Loth met hem, tegen het zuiden. Dit vers en de volgende verzen van dit hoofdstuk beelden in den innerlijken zin ook den Heer uit, en het is de voortzetting van Zijn leven, van de knapenjaren af. Abram klom op uit Egypte, beteekent dat de Heer uitsteeg boven de wetenschappelijke dingen, die Hem verlieten; Abram is in den innerlijken zin de Heer, hier toen Hij nog een knaap was; Egypte is, hier als eerder, de wetenschap; hij en zijne vrouw, beteekent de hemelsche waarheden, welke toen bij den Heer waren; en al wat hij had, beteekent al de dingen, welke tot de hemelsche dingen behoorden; en Loth met hem, beteekent het zinnelijke; tegen het zuiden, beteekent in het hemelsche licht.

1542. Dat dit en het vervolg van dit hoofdstuk in den innerlijken zin ook den Heer uitbeeldt, en dat het de voortzetting is van Zijn leven, van de knapenjaren af, kan blijken uit hetgeen in het vorige hoofdstuk is gezegd