is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dingen zijn; vandaar sluit de in het Woord vaak voorkomende uitdrukking „opklimmen van Egypte in het land Kanaan" iets dergelijks in.

1544. Dat Abram in den innerlijken zin de Heer is, hier toen Hij nog een knaap was, en dat Egypte de wetenschap is, is aangetoond.

1545. Dat „hij en zijne vrouw" de hemelsche waarheden beteekent, welke toen bij den Heer waren, kan blijken uit de beteekenis van Hem, namelijk dat Abram de Heer is, en daar het de Heer is, is het het hemelsche bij Hem; de mensch is mensch door de dingen die bij hem zijn; de Heer is Heer door de hemelsche dingen, want Hij was de Eenig Hemelsche, zoodat Hij het Hemelsche Zelf was; daarom worden door Abram, en nog meer door Abraham, de hemelsche dingen aangeduid. Daarna kan het blijken uit de beteekenis van de vrouw, namelijk dat zij het aan het hemelsche toegevoegde ware is, zooals eerder in nr. 1468 is aangetoond. Dat het de hemelsche waarheden (coelestia vera) zijn, of de waarheden welke uit de hemelsche dingen voortkomen, blijkt hieruit, dat eerst Hij genoemd wordt, en daarna zijne vrouw; want iets anders is het hemelsch ware (coeleste verum), en iets anders het ware, [dat] hemelsch [geworden is] (verum coeleste); het hemelsch ware is dat, wat zijn oorsprong aan het hemelsche ontleent; het ware, [dat] hemelsch [geworden is], ontleent zijn oorsprong aan het ware, dat in het hemelsche wordt geplant door erkentenissen.

1546. Dat „en al wat hij had" alle dingen beteekent, die tot de hemelsche dingen behooren, blijkt nu hieruit.

1547. Dat „en Loth met hem" het zinnelijke beteekent, is in het kort reeds in nr. 1428 aangewezen. Daar hier in het bijzonder over Loth gehandeld wordt, moet men weten, wat hij bij den Heer uitbeeldt. Farao beteekende de wetenschappelijke dingen, welke de Heer ten slotte heeft heengezonden; Loth echter beteekent de zinnelijke dingen, waaronder de uiterlijke mensch wordt verstaan en diens lusten, welke tot de zinnelijke dingen behooren, aldus de dingen die de uiterste zijn, en den mensch in de knapenjaren plegen gevangen te nemen en van de goedheden weg te voeren; want voor zooveel de mensch zich aan de lusten, welke uit de begeerten