is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede gesteld is, blijkt uit hetgeen eerder is aangetoond.

1578. Dat de woorden: „en de Kanaaniet en de Perisiet "woonden toen in het land" de boosheden en valsch heden in den uiterlijken mensch beteekenen, kan blijken uit de beteekenis van den Kanaaniet, zijnde het van de moeder overgeërfde booze in den uiterlijken mensch, waarover eerder in nr. 1444 is gehandeld; en uit de beteekenis van den Perisiet, zijnde het valsche daaruit, waaromtrent in het navolgende: reeds eerder is gezegd, dat bij den Heer het erfbooze van moederswege aanwezig was in Zijn uiterlijken mensch, men zie de nrs. 1414 en 1444; hieruit volgt, dat het valsche uit dat booze ook aanwezig was; waar het erfbooze is, is ook het valsche; het laatste wordt uit het eerste geboren, doch het valsche kan niet uit het booze geboren worden, vooraleer de mensch met wetenschappelijke dingen en erkentenissen is toegerust; het booze heeft niets anders waarop het kan inwerken of waarin het kan invloeien, dan alleen de wetenschappelijke dingen en de erkentenissen; aldus wordt het booze, dat tot het deel van den wil behoort, veranderd in het valsche in het deel van het verstand; vandaar was dit valsche ook overgeërfd, daar het uit het overgeërfde was geboren, doch het was niet het valsche uit valsche beginselen; maar het was in den uiterlijken mensch, en de innerlijke mensch kon zien dat het valsch was. Daar nu het erfbooze van moederswege bij den Heer aanwezig was, voordat Hij was toegerust met wetenschappelijke dingen en erkentenissen, of vóór Abrams vreemdelingschap in Egypte, wordt in het zesde vers van het vorige hoofdstuk gezegd, dat de Kanaaniet in het land was, maar niet de Perisiet; hier echter, nadat Hij met wetenschappelijke dingen en erkentenissen is toegerust, wordt gezegd, dat de Kanaaniet en de Perisiet in het land woonden. Hieruit blijkt, dat met den Kanaaniet het booze wordt aangeduid, en met den Perisiet het valsche. Tevens blijkt hieruit, dat de vermelding van den Kanaaniet en van den Perisiet in geen enkel historisch verband staat, want in het voorafgaande en in het volgende komt niets over hen voor, evenzoo ook in het zesde vers van het vorige hoofdstuk, alwaar van den Kanaaniet melding wordt gemaakt. Hieruit blijkt duidelijk, dat hier de eene of andere verborgenheid verscholen ligt, welke men niet