is toegevoegd aan uw favorieten.

Hemelse verborgenheden (arcana coelestica) in de heilige schrift of het woord des Heeren, onthuld hier vooreerst die in genesis, alsmede de wonderlijke dingen, gezien in de wereld der geesten en in den hemel der engelen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„te maken bij de inwoners des lands, bij de Kanaanieten, „en bij de Perisieten, en ik ben weinig in getal, en zij „zullen zich over mij verzamelen, en zij zullen mij slaan, „en ik zal verloren zijn, ik en mijn huis" (Gen. 34 : 30), alwaar desgelijks door den Kanaaniet het booze wordt aangeduid, en door den Perisiet het valsche. Bij Jozua: „Jozua zeide tot de zonen van Jozef: Zoo gij een talrijk „volk zijt, ga op naar het woud, en houw daar voor u „af in het land van den Perisiet en van de Refaïm, zoo „u den berg van Efraïm te eng is" (17 : 15), alwaar door de Perisieten de beginselen van het valsche worden aangeduid, door de Refaïm de overredingen van het valsche, welke zij zouden uitroeien, want de berg van Efraïm is in den innerlijken zin het inzicht. In het Boek der Richteren: „Na den dood van Jozua, en de „zonen Israëls vraagden Jehovah, zeggende: Wie zal „onder ons optrekken naar den Kanaaniet, om het eerst „tegen hem te krijgen; en Jehovah zeide: Jehudah zal „optrekken, ziet, Ik heb het land in zijne hand gegeven; „en Jehudah zeide tot zijnen broeder Schimeon: Trek „met mij op in mijn lot, en laat ons tegen den Kanaaniet „krijgen, en ik zal ook met u optrekken in uw lot; en „Schimeon toog met hem, en Jehudah toog op, en „Jehovah gaf den Kanaaniet en den Perisiet in hunne „hand" (1 : 1, 2, 3, 4, 5), alwaar door Jehudah eveneens de Heer wordt uitgebeeld ten aanzien van de hemelsche dingen, door Schimeon ten aanzien van de daaruit voortkomende geestelijke dingen; de Kanaaniet is het booze, de Perisiet is het valsche, dat overwonnen werd; dit was het Goddelijk antwoord of orakel, dat aldus te verstaan is.

1575. Vers 8. En Abram zeide tot Loth: Laat, ik bid u, geene twisting zijn tusschen mij en tussehen u, en tusschen mijne herders en tusschen uwe herders; want wij zijn mannen broeders. Abram zeide tot Loth, beteekent, dat aldus de innerlijke mensch tot den uiterlijken mensch gesproken heeft; laat, ik bid u, geene twisting zijn tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijne herders en tusschen uwe herders, beteekent dat er geen tweedracht tusschen beiden moest zijn; want wij zijn mannen broeders, beteekent dat zij in zichzelven vereenigd zijn.